Photo credit: Radovan Václav on Visual hunt / CC BY-NC

Saxicola rubetra (Linnaeus 1758: Motacilla rubetra). Eng. whinchat. Ned. paapje.

Bij Aristoteles was er een vogel batis, een insectenetende/wormenetende zangvogel. De soort is niet te bepalen, maar Gaza 1476 geeft als zijn Latijnse vertaling rubetra. Waarschijnlijk dacht hij aan Grieks batos: braamstruik, wat van batis een ‘brameling’ maakt, vogel van braamstruiken. Latijn rubetum: braambos. De toegevoegde R om verwarring te voorkomen met Latijn rubeta: vergiftigde pad? Of geïnspireerd door het Italiaans, waarin vogelnamen als anitra en galetra ontstonden? De naam heeft níet te maken met ‘roodachtig’, zoals nogal eens werd beweerd, uitgaand van Latijn ruber: rood.

Als batos klopt, is de grasmus een kandidaat, gezien wat Handrinos 1997 over Griekenland geeft. Paapje en roodborsttapuit passen minder goed: ze nestelen wel in open gebied, met liefst wat struiken als zangpost/uitkijkpost, wat soms een braamstruik is - maar hebben er geen speciale voorkeur voor. En het paapje bróedt in Griekenland slechts spaarzaam. Weinig kans dan dat batis er een naam voor was.

Bij het weinige dat er is, gaat men gissen. Longolius 1544: de kneu? Turner 1544: de stonchatter? Wat de tapuit zal zijn geweest, zie bij saxicola. Belon 1555: de traquet? Dat was de roodborsttapuit, “hantant tousiours sur les ronces”, ‘altijd bij de braamstruiken’ (p.360). ‘Altijd’ is overdreven, maar soms zitten ze er. Bij de traquet heeft Belon ook de tarier, waarschijnlijk het paapje. Hij is de eerste die beide heeft.

Vooral door Belon wordt rubetra voor iedereen de roodborsttapuit, die het bij de Grieken ietsje beter kan zijn geweest dan het paapje (maar geheel niet zeker dus). Linnaeus 1746, onverwacht: het paapje. Hij negeert de traditie, en ook Albin 1731, met een van de eerste kleurtekeningen van de roodborsttapuit en van Belon rubetra daarbij. Mogelijk maakte Linnaeus de ‘fout’ doordat hij in 1746 en in 1758 alleen het paapje kende (onder andere door een tekening van zijn leermeester Rudbeck). Bij de roodborsttapuit, saxicola rubicola, nog méér verwikkelingen.

-

Enkele andere namen voor het paapje (de codes zie op Home):

(U) Officieel Duits braunkehlchen, de roodborst rotkehlchen, de blauwborst blaukehlchen, de roodborsttapuit schwarzkehlchen.

(U) N paapje, in huidige boeken soms paap, maar men vergeleek met een méns, een priester, paapje omdat het een kleíne paap was - dit soort namen omdat men bij het kleed aan een habijt dacht, of bij de kop aan een monnikskap (paapje, nonnetje, dominee, er is een lange reeks, uit christelijke tijd). Duits pfäffchen is ook het paapje, volgens Weber 1781 vertaling van paapje - maar is ook de goudvink, deze uit pfäfflin Gesner 1555 - en de kokmeeuw is een pfaff, Pfaffe: paap, priester. De naam paste ‘overal’ .. Houttuyn heeft het ook zo. In 1763, bij motacilla rubetra Linnaeus: “Het schynt ons Paapje te zyn” (p.579), in 1760, ‘Uitgezochte Verhandelingen’: “Paapje met witte wenkbraauwen” - de zwártkop: “Paapje met een zwart voorhoofd”, en een onduidelijke derde soort: zingend vaalgeel paapje. Eigenhuis 2004 schrijft dat Vroeg 1764 zingend vaal geel paapje voor salicaria had (‘rietzanger’), en paapje voor linaria (‘kneu of barmsijs’), denkt dat het van oorsprong dan een naam voor een van deze was, voor het rood op hun kop: priesters droegen op hun hoofd soms een paarsrode kalot (in het Brabants sprekende deel van Vlaanderen zijn paap en paapje namen voor de barmsijs). De oudste echter staat in het ‘Jacht-Bedryff’, Van Heenvliet, circa 1636: “Rood-baerdekens ofte Paepkens”, baerd hier borst. Het lijkt het meest de gekraagde roodstaart. Het witte voorhoofd deed wellicht denken aan de tonsuur van een monnik. Maar als het hier begón: door de kleden kon de naam met gemak ook bij andere soorten komen - ook bij het paapje, en als het niet was voor het bruine, dan wel voor de tonsuur die ook déze lijkt te hebben (bruin kapje, witte wenkbrauwstreep). Als het bij salicaria trouwens om dé rietzanger ging: in de koptekening lijkt deze op het paapje ..

(G) Engels utick, Deens hytjep, Rumantsch sitrak, Gronings jutik, voor het klikkende juu-tek, zie ook bij tapuit en roodborsttapuit. Over Deens hytjep zegt een site dat hun ‘hyt-jep’ leek op het geluid waarmee de ploegende boer zijn paard aanzette tot lopen, ‘hyp’ + een klak met de tong, en dat het erop leek dat de vogel de boer wilde helpen.

(V) E whinchat, zeg: bremkwebbelaar, Noors buskskvett: struikkwebbelaar, chat en skvett waren primair de tapuit, die meer schetteraar dan kwebbelaar. Luxemburgs wisevilchen: weidevogeltje. Het paapje broedt graag in plantenrijk grasland (is in Nederland ‘dus’ flink afgenomen), nestelt “often at the foot of a whin brush” (Lock-wood 1984), en heeft als zangpost graag de top van een plant of struik.