Photo Credit: Edwyn Anderton Flickr via Compfight cc

Saxicola rubicola (Linnaeus 1766: Motacilla rubicola). Eng. stonechat. Ned. roodborsttapuit.

Rubicola lijkt sterk op rubetra, een naam die ooit aan de roodborsttapuit gegeven was, later min of meer abusievelijk terechtkwam bij het paapje, saxicola rubetra, zie aldaar. Latijn rubus: braamstruik, -cola betekent: bewoner. Een ‘bewoner van braamstruiken’ dus.

Het begint bij Charleton 1668. Bij de roodborsttapuit heeft hij rubetra, zoals toen de traditie was, maar hij heeft het zó: “Rubetra, Rubicola (quia rubos incolat)”, ‘omdat hij braamstruiken bewoont’ (p.91). Rubicola lijkt bedoeld als een uítleg van rubetra, niet als een naam. Misschien ook corrigeerde hij er Aldrovandi 1600 mee, die rubetra van Belon 1555 (de roodborsttapuit, vandaar die traditie, Belon was de eerste die hem had), opvatte als rubecula, de roodachtige, zie bij erithacus rubecula. Charleton zei dan eigenlijk: ‘hij is niet rood, hij zit in de braamstruiken’.

Willughby 1676 neemt rubicola niet over. Ray 1694 wel, maar hij splitst de namen, zet rubetra zoals iedereen altijd deed bij de roodborsttapuit, rubicola bij het paapje. Misschien dacht hij dat de whin-chat, zie bij saxicola rubetra Engels whinchat, niet alleen bij de brem (de whin) maar dan ook wel bij de braam zou zitten. Ook kan: voor het paapje had hij alleen oenanthe secunda, tweede oenanthe, en dan wil je iets beters.

Linnaeus 1758 geeft rubetra onterecht aan het paapje. Maar als hij in 1766 ook de roodborsttapuit kent, zet hij rubicola terug, bij de roodborsttapuit. Hij heeft nu het omgekeerde van Ray.

Saxicola rubetra en saxicola rubicola zijn ongelukkige namen, gezien wat bij saxicola en bij de twee soortnamen staat. Tijd dus voor muscipeta pratorum voor het paapje (vliegenvanger van de weiden, vergelijk pratincola bij saxicola) en muscipeta torquata voor de roodborsttapuit (vliegenvanger met een halsband). Tot voor kort héétte hij ook torquata, teruggaand op muscicapa torquata van Brisson 1760. Schwenckfeld 1603 gebruikte muscipeta al, voor bonte en grauwe vliegenvanger, maar Aldrovandi had hem ook al: voor de roodborsttapuit.

-

Enkele andere namen voor de roodborsttapuit (de codes zie op Home):

(U) N roodborsttapuit, maar de vogel kreeg meer namen voor het zwarte, Duits schwarzkehliger steinschmätzer bijvoorbeeld (waarin ‘steensmakker’ de tapuit is, zie bij oenanthe oenanthe), of Zwitserduits kami-fegerle: schoorsteenvegertje, een beroep dat hem zwart maakte. In het Afrikaans van Zuid-Afrika is er bontrokkie, tegenwoordig een naam voor de aldaar voorkomende, van de roodborsttapuit afgescheiden afrikaanse roodborsttapuit, saxicola torquatus.

(U) Brabants bolleke - omdat het een gedrongen vogel is, ook door de korte staart, de grote kop en een tekort aan nek.

(G) E stonechat, zie stone chatter bij saxicola. Brabants wietek, Zwitsers vitcek, Catalaans triquet, enzovoort, namen voor het wie-trek-trek, vergelijk namen bij het paapje, saxicola rubetra, en bij de tapuit, oenanthe oenanthe, de klanknabootsingen lijken op elkaar. Russisch tschekantsjik, opgetekend in Lepechin 1775, een naam voor de inmiddels afgescheiden aziatische roodborsttapuit, door Pallas 1773 motacilla maura genoemd: moorse kwikstaart (Moor voor het donkere, vooral van de kop, hoewel Pallas niet ziet dat het een andere is dan dé roodborsttapuit). Lepechin dacht dat tschekantsjik een naam was voor zijn ‘treurig tjilpen’ (‘Tagebuch’ II-186). Pallas 1811 heeft de naam als tschekkàn en schrijft dat hij ‘vanwege de stem’ gegeven is (het zijn Duitse transcripties, de Nederlandse is tsjekan). De naam zit inmiddels in alle Russische namen voor Saxicola’s, zou een nabootsing kunnen zijn net als wietek enzovoort, of zou kunnen horen bij tsjekan: slaan (van munten), vergelijk de ‘steentjes’ bij het genus. Misschien is tsjekantsjik te vertalen met tikkertje.

(G) Vlaams riekschijtertje. De roodborsttapuit zit voor de uitkijk vaak op een draad, struik of paal, en dan waarschijnlijk ook wel eens op de top van een in de grond gestoken riek, wat de boer natuurlijk opviel; schijtertje is soms ‘vogeltje’, maar hier dacht of zag de boer misschien dat hij er écht op scheet, opmerkelijk is in ieder geval dat er bij Granada een Spaanse tegenhanger bestaat, cagastiles, waarin cagar zit: zich ontlasten, en astil: handvat van een schop; een schopschijtertje dus. Algemener en ‘neutraler’ is officieel Italiaans saltimpalo, in Savi 1827 als salt’ in palo een naam bij Florence: ‘springt op een paal’, staat er. Een paalvogeltje dus.

(V) Duits heidefink, de roodborsttapuit broedt in open gebied, onder andere in heide en veen. Twents vennemuske, ven of venne is veen. Engels moor-titling, in Ray 1678. Jackson 1968, ‘British Names of Birds’, geeft het als een naam in Yorkshire en dan zal het gaan om de Yorkshire Moors (moor: heide, veen), hoewel hij daar niet meer broedt. Ray zegt niets over Yorkshire, schrijft wel: “It is found for the most part in Heaths” (p.235).