Photo credit: David Nunn on Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Uria aalge (Pontoppidan 1763: Colymbus aalge). Eng. guillemot. Ned. zeekoet.

Erik Pontoppidan, Deen, gebruikte in zijn voorstel voor een naam Noors/Deens aalge, een naam voor de zeekoet. Waarschijnlijk hoort hij bij Oudnoords alka voor de alk, of bij een van de latere versies daarvan, en betekent dan idem schreeuwer, schreeuwlelijk, zie het genus alca. De K en de G liggen dicht bij elkaar, in het bijzonder in bepaalde Noorse en Deense woorden, vergelijk bijvoorbeeld voor meeuw Noors måke en Deens måge.

Met alka en latere vormen bedoelde men lang alleen de alk. Door aalge werd de zeekoet de uitzondering (de kortbekzeekoet daarbij inbegrepen). De reden zal zijn geweest dat hij van alle alken het sterkst op de alk lijkt. Ray 1694 had al: “Alkae similis est sed major”, ‘lijkt op de alk maar is groter’ (p.120). Clusius 1605 was net als bij de alk waarschijnlijk de eerste die hem had, als lomwia. Voor die naam zie bij uria lomvia.

-

Enkele andere namen voor de zeekoet (de codes zie op Home):

(U) Zweeds spetsalka: spitsalk, voor de lange spitse snavel, sterker bij de zeekoet dan bij de zwarte zeekoet, die anders ook zo had kunnen heten.

(U) IJslands hringvia, hringur: ring (via als in lomvia), bij Brünnich 1764 uria ringvia, in Nederland later ringel-zeekoet en brilzeekoet (bedoeld is níet cepphus carbo), Gould in ‘Birds of Europe’ 1837 deel V bij plaat 397 gaf uria lacrymans: huilende uria, en bridled guillemot, bridle: toom, bij een paard (Gould: ‘maar of het een soort is?’). De zeekoet heeft een bruin oogringetje, daarachter een streepje, beide moeilijk te zien op het bruine kleed. Bij sommige echter zijn beide wit, en dat gaf namen.

(G) E guillemot, meestal verbonden met ouder willock, 1631, volgens Lockwood 1984 verklanking van het hoge plie-o van de juvenielen (men ving en at ze, kende het geluid). Engels scoot, in 1596 skout, ziet hij óók zo, wat niet overtuigt - wel past ‘schreeuwer’, vergelijk Engels shout: schreeuwen, en scout: uitjouwen, maar dan hoeven het, zoals ook Fries skoet, geen namen voor de juvenielen te zijn .. Voor schreeuwer zie ook het stukje over Engels kite bij het genus milvus. Vergelijk ook over koet bij de meerkoet, fulica atra.

(G) Welsh arron, Schots marrot, Engels maar op Cornish teruggaand murre, namen voor het aanhoudende, hypnotiserende a a a r r r in de broedkolonies. In ‘Early Annals of Ornithology’ 1921 vermeldt Gurney een vergelijkbaar Russisch arrie, Portugees airo, “from the bird’s cry” (p.47). Voor de Russische zie ook ahr’-rah bij de kortbek, uria lomvia. De geluiden van de twee lijken op elkaar, en de namen zijn vrijwel identiek.

(G) Engels foolish guillemot, in Pennant 1776, “very simple birds, for notwithstanding they are shot at, and see their companions killed [...], they will not quit the rock” (II-437). Ray 1678 had al: “it is a simpler bird, and more easily taken” dan alk en papegaaiduiker (p.325).

(V) N zeekoet - koet misschien door meerkoet, anders misschien door Fries skoet hierboven.

(?) Frans guillemot de troïl, naar colymbus troile, Linnaeus 1766, lang dé naam voor de zeekoet, maar het bleek de kortbek te zijn, zodat de naam verdween: de kortbek had hij al in 1758 benoemd. De naam is wel uitgelegd met vader en zoon Troil, ooit Zweedse aartsbisschoppen, maar het overtuigt niet.