Photo credit: Mick Sway on Visualhunt / CC BY-ND

Phoenicurus phoenicurus (Linnaeus 1758: Motacilla phoenicurus). Eng. redstart. Ned. gekraagde roodstaart.

De oude Grieken hadden een phoinikouros, waarschijnlijk de gekraagde roodstaart, zie bij het genus erithacus. Plinius latiniseert tot phoenicurus. De naam was een samenstelling van Grieks phoinix: rossig, roodbruin, purperrood, en -ouros: -gestaart (oura: staart). Roodstaart dus, eigenlijk: de roodstaartige. De gekraagde roodstaart heeft een roestrode staart.

In de ornithologie kende men van de twee roodstaarten de gekraagde het best, doordat de zwarte in grote delen van noordwestelijk Europa nog niet zat (vanuit Midden-Europa breidt hij het broedgebied uit). In die delen van Europa was ‘roodstaart’ dus in eerste instantie de gekraagde. Nederlands roodstaart, Engels redstart, Duits rotschwanz. Gesner 1555 had Duits rotschwentzel, Linnaeus 1746 Zweeds rödstjert. Voor de staart zelf zie ook bij de zwarte. En daar ook de zuidelijke uitzonderingen: Buffon en Aldrovandi.

-

Enkele andere namen voor de gekraagde roodstaart (de codes zie op Home):

(U) N gekraagde roodstaart - als oudste: gekraagd roodstaartje, een naam van Houttuyn in Nozeman 1809, vertaling van Frans rouge-queue à collier in Buffon 1770-1783: ‘roodstaart met een halsband’, eigenlijk een naam van Brisson 1760, maar die beschreef er vrouwtje of eerstewinter mannetje mee. Buffon herstelt dit: “Nous regarderons donc le rouge-queue à collier comme le mâle”, het mannetje (Buffon 1796-1799, V-96). Dat heeft “un beau collier noir”, ‘een mooie zwarte halsband’ (de band loopt bij enkele soorten niet rond, toch noemde men ze dan zo). Houttuyn neemt ook dit over: het zwart vormt “een soort van Kraag”.

(G) Duits hütik, klanknabootsend voor het hwiet-tik-tik bij gevaar/opwinding, vergelijk wietek bij de roodborsttapuit, saxicola rubicola, daar voor het wie-trek-trek. Suolahti 1909 schrijft dat men er een waarschuwend ‘hüt dich!’ in hoorde (‘pas op!’). De roep gaf ook Duits saulocker: varkenslokker (sau = zeug), volgens Klein 1750 (in de Duitse bewerking van 1760): “weil er also schmatzet [smakt], wie die Landleute, wenn sie die Schweine zum Troge rufen”, de boer gaf blijkbaar een klakkend tik-tik als hij met voeren begon.

(V) Zwitserduits hußrötele: huisroodje, een van de namen voor de gekraagde roodstaart bij Gesner 1555. Uitleg: ‘omdat hij bij huizen en tuinen zit’ (p.699). De naam werd ook voor de zwarte roodstaart gebruikt, maar voor de gekraagde had men ook baumröteli: boomroodje (voor de bomen in tuinen en daarbuiten). Frans rossignol de muraille, wat in Nederlandse boeken muurnachtegaal gaf. Gezien Belon 1555 en Buffon 1770-1783 was het de gekraagde. Door de muren is ook aan de zwarte gedacht, die er méér zit, maar een 16e eeuwse kleurtekening, rossignol de mur, van de Franse tekenaar Isaac la Grese, gepubliceerd in Olsson 2007, is eenduidig de gekraagde. Op die tekening staat ook: “In summis tectis arboribusque canis”, ‘zingt op de toppen van daken en bomen’ (vergelijk Gesner). Misschien bedoelde men: ‘mooi zingend vogeltje dat je vaak bij huis ziet’ (de échte nachtegaal zat verder weg, in het struikgewas), en de nadruk lag dan op het voorkomen, minder op de zang. Die zang zelf: zomers, aangenaam, melancholiek - welluidender dan die van de zwarte - Buffon: niet van dezélfde kwaliteit als die van de nachtegaal, maar “tendre & mêlé d’un accent de tristesse” (Snow 1998 heeft letterlijk hetzelfde: “Song sweet, rather melancholy in tone”).