Photo credit: BioDivLibrary via Visualhunt.com / CC BY

Monticola saxatilis (Linnaeus 1766: Turdus saxatilis). Eng. rock thrush. Ned. rode rotslijster.

Latijn saxatilis stond voor rotsachtig, maar ook voor: bij of tussen rotsen (levend), Latijn saxum: rots. Doordat monticola, zie aldaar, ongeveer hetzelfde betekent, is monticola saxatilis twee keer bergbewoner, rotsbewoner. De naam van Linnaeus, turdus saxatilis, betekent rotslijster, was wellicht ook de bron van Nederlands rotslijster, tenzij dit een vertaling was van Duits felsendrossel, rotslijster, in Naumann 1822. Hij contrasteert de naam met Duits walddrossel, boslijster, waarmee hij de eigenlijke lijsters bedoelt, inclusief de merel.

In het broedseizoen zitten beide rotslijsters vooral in rotsachtige gebieden, hoewel de rode bijna altijd hoger dan de blauwe: meestal boven de 1000 meter, de blauwe meestal daaronder. De rode is daardoor met recht dé rotslijster - vergelijk de Engelse namen voor de twee, maar meer nog de Duitse: steinrötel voor de rode, blaumerle voor de blauwe, monticola solitarius.

Steinrötel gaat terug op steinrötele bij Gesner 1555, een naam in de zuidoostelijke Zwitserse Alpen, waarvan hij ook steintröstel had: steenlijster, rotslijster - tröstel: lijster, rötele: de roodborst, zie ook bij de roodborst zelf, erithacus rubecula - en steinrötele was dan steenroodborst, rotsroodborst, roodborst voor het mooie rood. Beide namen legt hij de lezer ook uit: “Steinrötele, id est rubeculam saxatilem [...] Steintröstel, id est turdum vel turdelam saxatilem” (p.701). Hier dus de oorsprong van turdus saxatilis.

-

Enkele andere namen voor de rode rotslijster (de codes zie op Home):

(U) Engels greater redstart, Albin 1738 bij de kleurtekening van een vrouwtje, door hem vergeleken met de gekraagde roodstaart, in Engeland dé redstart. Albin hád er een uit een verzameling. “It is kept in Cages for its singing” (p.51). Duits blauköpfige rothe amsel, Frisch 1733-1763 bij de kleurtekening van een mannetje (amsel: merel). In Dresden had iemand er een in een kooi .. Noordelijke schrijvers kenden de in het Zuiden levende rotslijsters nog niet van hun biotoop, of met namen daarvoor.

(G) Spaans espantadizo: de schuwe (teruggaand op Latijn expavere: bang worden). Spaanse bronnen geven de rode rotslijster als ‘esquivo’: ongrijpbaar, schuw - “esquivo y solitario .. huyendo a la menor alarma para ocultarse entre las rocas”, ‘schuw en solitair .. bij het minste alarm op de vlucht slaand, om zich tussen de rotsen te verschuilen’. Voor het solitaire ‘alleen staan’ zie bij monticola solitarius.