Edwards 1743, plaat 30.

Ficedula hypoleuca (Pallas 1764: Motacilla hypoleuca). Eng. pied flycatcher. Ned. bonte vliegenvanger.

De drie bonte vliegenvangers van Europa zijn alle drie van onderen wit, maar alleen de bonte héét zo: Grieks hupoleukos: van onderen wit - hupo: onder, leukos: wit. Pallas wist niet van andere soorten.

Toen men nog niet had ontdekt dat Pallas de vogel al beschreven had, was muscicapa atricapilla van Linnaeus 1766 de officiële naam, atricapilla, zwartkruin, door “Ficedula sive Atricapilla se se mutans” van Aldrovandi 1600, zie bij ficedula. Zo’n kruin trouwens hebben ook alle drie.

Gesner 1555 is de eerste die de bonte vliegenvanger heeft, een vrouwtje. De naam: flügenstecherlin, vliegenstekertje, een naam bij vogelvangers, te vergelijken met vliegenvanger. Men kende ofwel ‘de bonte vliegenvanger’ (een mannetje bonte vliegenvanger en/of withalsvliegenvanger), of het vrouwtje: door de grote verschillen in de kleden zag men ‘soorten’ (Aldrovandi 1600 gebruikt voor onder andere deze ‘soort’ ficedula). Voor het eerst ‘samen’ staan ze op een kleurtekening van Edwards 1743: mannetje en vrouwtje van de bonte. En hij zíet ze als één.