Photo Credit: Tim Melling Flickr via Compfight cc

Turdus torquatus Linnaeus 1758. Eng. ring ouzel. Ned. beflijster.

De beflijster is ‘van een halsband voorzien’ (Latijn torques, torquis: halsband, halsketen). Vooral het mannetje van de door Linnaeus beschreven noordwestelijke ondersoort lijkt een ‘merel met witte bef’. In Nederland werd hij daardoor soms dominé genoemd, in Duitsland pastor, in Frankrijk merle moine: monniksmerel. Een héle halsband is het niet, maar zie bij prunella collaris: ook collaris werd soms voor halve halsbanden gebruikt (en de ringduif heeft ook geen echte ring, zie bij columba palumbus).

Belon 1555 schreef: ‘In de Franse Alpen, waar hij veel voorkomt, noemt men hem merle au collier’, merel met een halssnoer. ‘Door dat collier vond ik het in het begin wel een vreemde vogel’ (zozeer was de merel de norm). Gesner 1555, met een goede tekening, kent de Franse naam, maar ook zeven Zwitserduitse, waaronder ringamsel, (k)ringmerel, en daarvan maakt hij merula torquata (“vulgo nominatur Ringamsel, hoc est merula torquata”, p.583). Hij beschrijft een mannetje van wat tegenwoordig de ondersoort alpestris is, niet die Linnaeus had. Hij weet dat de ‘ring’ een frontje is, dat het wit niet om de hals heen loopt, maar schrijft het toch: “quae totum eius collum ambit”, ‘die om zijn hele hals loopt’.

Linnaeus neemt torquata over en zet de vogel in het genus turdus. Maar zo verloor de naam aan kracht: in ‘lijster met een halsband’ zit niet meer de vergelijking met de merel, turdus merula. Vergelijk Nederlands beflijster: befmerel zou beter zijn.

-

Enkele andere namen voor de beflijster (de codes zie op Home):

(G) Engels hill chack, waarin volgens Lockwood 1984 chack een nabootsing is van de harde alarmroep, een snel tjek-tjek-tjek. Lockwood contrasteert deze naam met Engels ring whistle, een naam voor de “clear, whistling contact call”, maar dit lijkt meer een naam voor de zang, “a repetition of melancholy, plaintive phrases, of 2-4 simple, monotonous, fluting piping notes” (Snow 1998).

(V) De beflijster wordt door ornithologen wel de gebergtevorm van de merel genoemd, maar de Zwitsers in de bergen hadden spontaan al Zwitserduits birgamsel en steinamsel, bergmerel en rotsmerel (beide zijn opgetekend in Gesner 1555). De Noren hebben røisetrost: steenhooplijster (Noors røis: steenhoop, trost is lijster, zie de vormen bij turdus). In Engeland zit hij meer in ‘open moorland’: veen- en heidegebieden, en dus is er Engels heath throstle: heidelijster.

(V) Duits schneeamsel, een naam in Silezië, opgetekend door Schwenckfeld 1603 - die uitleg lijkt te geven met “hyemis initio capitur”, ‘wordt aan het begin van de winter gevangen’ (p.302). Op de trek. Lijsters wérden veel gevangen.