Kolonie. Photo credit: Hoppy1951 via Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Uria lomvia (Linnaeus 1758: Alca lomvia). Eng. brünnich’s guillemot. Ned. kortbekzeekoet.

Onder Duits lumbe had Martens 1675 vrij zeker, maar per ongeluk, de kortbekzeekoet: hij ziet er op Spitsbergen, waar dé zeekoet toen niet zat. Vrijwel niemand denkt ook nog, ook later nog niet, dat er twéé bestaan, zeekoet en kortbekzeekoet lijken teveel op elkaar (Brünnich is de uitzondering, zie onderin). Pontoppidan 1763, zie bij uria aalge, weet van de zeekoet, is zich van een kortbekzeekoet niet bewust. Omgekeerd kent ook Linnaeus 1758 er slechts één, maar bij hem is het toevallig de kortbekzeekoet. Hij noemt hem lomvia, maar bij Clusius 1605 was dat: de zeekoet. Ook tegenwoordig is er nog wel eens verwarring, Eigenhuis 2004 bijvoorbeeld schrijft dat de lomvia van Linnaeus “waarschijnlijk de Zeekoet heeft moeten voorstellen” (p.606) - maar “mandibula superiore margine flavescente” bij Linnaeus 1758 (p.130), in de vertaling bij Houttuyn 1763 “de Bovenkaak geelagtig van rand” (p.88), wijst op de kortbekzeekoet. Snow 1998 schrijft over de kortbek: “usually with whitish line along basal edge of upper mandible” (p.810). Geelachtig bij Linnaeus kwam door de tekening die Albin 1731 had gemaakt, de eerste kleurtekening van de kortbekzeekoet (maar zijn tékst gaat dan weer over de zeekoet - dat kon dus ook nog: dat je beide had, maar het niet wist).

Martens’ lumbe hoort bij de groep van Scandinavisch lom, lumme, Nederlands lom, Engels loon, een naam voor de duikers in het genus Gavia (waarschijnlijk betekent de naam ‘jammeraar’, zie bij larus en bij gavia arctica). Noors lomvi 1599, waarvan lomvia een latinisering is, is volgens Nielsen 1989 beïnvloed door lom - kreeg daarvan zijn vorm - maar gaat terug op een heel andere naam: Oudnoords langvé.

Lang kon te maken hebben met de leng, een kabeljauwachtige die naar zijn lengte in Noorwegen lange heet, Oudnoords langa. Als vi jager betekent, zie verderop, zou er lengenjager staan. Maar de leng wordt tussen een en twee meter lang: men moet dan hebben gedacht dat de zeekoet jacht maakte op de jónge lengen. Maar waarom vooral op díe? Bezwaar ook: in de oudste vorm verwacht je dan langa-, niet lang-.

Lockwood 1984, bij de Shetlandse afstammeling longie voor de zeekoet, veronderstelt een ouder *langvíi, ‘lange víi’, en ziet in víi een klanknabootsing, “based on the call of the juvenile” (van de zeekoet), een roep die ook in lokaal Engels will en willick zit - schrijft hij bij guillemot, de officiële Engelse naam voor de zeekoet (meer daarover bij uria aalge). Snow 1998 geeft die roep als ‘plee-o’, “far-carrying, plaintive, musical” (p.808). Qua indruk die het maakte, kan het dus, maar een klanknabootsing met lang ervoor is in volksnamen hoogst ongebruikelijk en een eventuele interpretatie ‘lang aangehouden víi’ klinkt vreemd, als vogelnaam. Voor het geval trouwens dat lang op de lengte zou moeten slaan: zo opvallend lang ís de zeekoet niet, en er zijn ook geen volksnamen voor deze vogel waarin het lange benoemd is (wel de lange snavel).

Nielsen herleidt langvé tot lang en , en schrijft 'dat misschien verwant is met Oudhoogduits wiho, wio [wouw], namen die jager betekenen, vergelijk Oudnoords veiðr: jacht’. Kroonen 2013 denkt dat víi en wiwo teruggaan op een basis *uéi, Nielsen gaf een vergelijkbare vorm, met als betekenis: op iets afgaan. En *langvíi is dan: lange jager. De zeekoet jaagt, op vis, maar lang blijft een probleem. Kroonen noemt ook het IJslandse werkwoord vía: bewaken, bespieden, en dan kan als betekenis ook: belager, bespieder, eventueel omsingelaar, en Snow geeft bij de zeekoet, en alleen daar: “Birds often feed swimming in lines, but occasionally encircle and herd shoal [een school vis], catching fish at periphery” (p.807). Maar dan kan nóg iets, door die ‘lines’. Er is een met vía verwant Zweeds dialectwoord vi: “flock, fiskstim, stort antal foglar”, ‘troep, school vissen, groot aantal vogels’ (Rietz 1862-1867, 'Svenskt Dialektlexikon'). Vi stond dan misschien niet voor eromheen zwermen ('lange omsingelaar' namelijk overtuigt ook niet), maar voor de zwerm zelf. Mogelijk bedoelde men met *langvíi ‘lange troep’, de vogels in een lange lijn, vissend. Lang is dan geen probleem meer.

Als deze afleiding klopt: het zal van bovenaf waargenomen zijn als men op de rotsen naar de vogels en hun eieren zocht, wat men bij alken veel deed, zie ook bij alca torda.

-

Enkele andere namen voor de kortbekzeekoet (de codes zie op Home):

(U) N kortbekzeekoet, voorheen dikbekzeekoet, ook kortsnavelzeekoet, omdat de snavel korter en steviger is dan bij dé zeekoet. IJslands stuttnefja: de kortsnavelige (stuttur: kort, voor nefja vergelijk Oudnoords nef, Engels neb, Zweeds näbb: neb, sneb, snavel).

(G) Cepphus arra, in Pallas 1811, arra was een naam voor het rauwe, soms lachende arrr-ha-ha-ha-ha-ha. Pallas gééft arra als een naam op Kamtsjatka. In ‘Bulletin of the American Museum of Natural History’ (XXI, 1905, p.224) schrijft J. A. Allen dat arra teruggaat op een lokaal Russisch ahr’-rah. Dat zal dan die naam op Kamtsjatka zijn geweest. In ‘Early Annals of Ornithology’ van 1921 heeft Gurney een Russisch arrie, voor de zeekoet, maar qua geluid kan het net zo goed de kortbek zijn geweest, zie ook bij uria aalge. Uria lomvia arra is tegenwoordig een van de ondersoorten van de kortbek.

(V) Fins pohjankiisla: noordelijke kiisla, en voor dé zeekoet is er etelänkiisla: zuidelijke kiisla. De kortbekzeekoet is de hoognoordelijke tegenhanger van de zeekoet, in Europa is IJsland het zuidelijkste waar hij broedt, de zeekoet komt tot Portugal. Zweeds spetsbergsgrissla zegt het nog duidelijker. Voor grissla zie bij cepphus grylle, waarvoor de Finnen riskilä hebben, waarmee kiisla misschien wel samenhangt.

(X) E brünnich’s guillemot. Brünnich 1764 noemt de kortbek uria troile, maar dat wás een naam voor dé zeekoet, zie bij uria aalge. “From this confusion I apprehend”, schrijft Sabine in de ‘Transactions of the Linnean Society of London’ van 1818, “it has arisen that both these birds have not since Brünnich published his work been noticed by general authors as distinct species” (p.538), wat Brünnich dus wél deed, en als éérste. Sabine stelt daarom voor de kortbek uria brünnichii te noemen: vanwege “the accuracy in observation in Brünnich”, maar ook om een eind te maken aan de verwarring (men worstelde nogal bij het in kaart brengen van de twee soorten).