Photo credit: Jac. Janssen via VisualHunt.com / CC BY

Vanellus vanellus (Linnaeus 1758: Tringa vanellus). Eng. lapwing. Ned. kieviet.

Vanellus is een naam voor de kieviet bij Van Cantimpré ±1240, later ook bij Frederik II ±1246, mét kleurtekening. Van Cantimpré schrijft: “Vanelli aves sunt, ut dicit ‘Liber rerum’, sic vulgariter apellate”, Liber rerum zegt dat men ze vanellus noemt - ‘Liber rerum’ is een werk waarvan de schrijver tot nu toe onbekend is.

Coomans 1947 ziet in vanellus ‘ijdeltuitje’ (Latijn vanus: ijdel), vergelijkt met Italiaans pavoncella voor de kieviet: pauwtje (Italiaans pavone: pauw). De pauw pronkt met zijn veren en je kunt vinden dat de kieviet pronkt als hij vliegt: hij zwenkt, zwiert, stijgt en daalt. Maar in een Italiaanse bron is pavoncella een naam voor “la brillantezza e l’iridescenza” van het kleed. En Van Cantimpré zei: “capite cristato ut pavo”, op de kop heeft de kieviet een kuif, zoals een pauw. Het is dus maar de vraag of in ‘pauw’ een oplossing zit.

De naam kan moeilijk los worden gezien van Frans vanneau voor de kieviet: door de overeenkomst in vorm. De naam wordt afgeleid van Frans van: wan, korenwan (Latijn vannus: wan), een platte mand met handvaten waarmee de boeren door schudden en opzwaaien ‘het kaf van het koren’ scheidden - het lichtere kaf meegevoerd door de wind. De naam is bekend uit de 14e eeuw. In dezelfde tijd is er in de Franse valkerij vanneau(x): slagpen(nen). Men denkt: door een overeenkomst in vorm, maar er is een interessante andere overeenkomst: een wan maakt als het ware wind, een slagpen ook, zeker bij grotere roofvogels (waarvoor men het woord voorál gebruikte), en zeker wanneer ze vanaf je hand opvliegen. Verder ontstaat in Zuid-Frankrijk, uit Oudprovençaals van (wan, ook slagpen), vanelo voor de kieviet - en daaruit, aan de Italiaanse kant, vanel en vanella, de laatste opgetekend in 1316. De oudste Franse, vaniel, is opgetekend in 1229.

Waarschijnlijk kende de ‘onbekende schrijver’ vaniel of een andere vorm en latiniseerde dit tot vanellus. De réden om de vogel naar de wan te noemen is minder duidelijk. Men noemt: de vorm van de vleugels (een van de mandtypes leek op de breed uitlopende vleugel van de kieviet), de flapperige bewegingen van de vleugels, het heen en weer gaan van de kuif, en het zoevende vleugelgedruis tijdens de balts, wat Gesner 1555 al zei: “hat in seinem Flug ein groß Gereusch, darumb er Vanellus genennt worden” (editie Heusslin 1557). Gezien de wind, en de slagpennen, kan vanellus heel goed ‘windmakertje’ hebben betekend, de naam dan voor het tumultueuze flapperige vliegen, en het zoevende geluid daarbij - alsof hij, net als de wan, wind máákt. Bij de torenvalk zitten vergelijkbare namen, Nederlands windwanner en Duits wannenweher. Door het ‘bidden’ lijkt ook de torenvalk een windmakertje (maar zie ook aldaar).

-

Enkele andere namen voor de kieviet (de codes zie op Home):

(U) Vanellus cristatus, Meyer 1810, vaak gebruikt als de officiële naam voor de kieviet - Latijn cristatus: ‘van een vederbos voorzien’, vergelijk podiceps cristatus voor de fuut, pavo cristatus voor de blauwe pauw. Duits teutscher pfau: de pauw was geen inheemse Duitse soort, de kieviet wel. Men vergeleek kieviet en pauw op de punten kleed en kuif, zie ook hogerop.

(G) Voor het luide kiewíép: N kieviet, ook kievit, Duits kiebitz, Engels pewit, Spaans guita, Russisch tsjibis, Hongaars bibic, Kroatisch vivak, Zweeds tivitta, Duits tefittek, Vlaams piedewiet, enzovoort.

(G) Vlaams meetje, ‘oud vrouwtje’, Engels old maid, ‘oude dienstmeid’, Zwitserduits s’alt meitli, ‘ongehuwde oude vrouw’ (s meitli: meisje). Er valt niet te bewijzen dat de drie namen samenhangen, wel maken ze die indruk. En er zijn verhalen, al zijn ze van iets verder weg. Een Zweeds verhaal vertelt van een dienstmeid van Maria. Ze stal, ontkende dat, werd in een kieviet veranderd, roept sindsdien ‘tyvit, tyvit’ (Zweeds tjuv: dief). In een Deens verhaal over een ongetrouwd oud vrouwtje voor wie Jezus hout kapte tegen een beloning - die ze niet gaf - verandert ze in een kieviet die alsmaar ‘klyf ved! klyf ved!’ roept: klief hout! En zo zijn er nog meer. Men bedacht ze rond het kiewíép. De drie namen zeggen misschien iets over de verspreiding van deze verhalen.

(G) Fins hullulintu, een naam in Karelië, lintu: vogel, hullu: gek, doldriest, ook: nar, grappenmaker, en dan wellicht clownsvogel, in ieder geval: een naam voor de beroemde capriolen in de baltsvlucht.

(?) E lapwing - leek zo makkelijk, een naam voor het ‘lap lap’ van de wings in de baltsvlucht, maar ouder was Oudengels hléapwince, waarin hléapan: springen (huidig leap), en wincian: zwenken. Er zou dan ‘leaper-winker’ staan, wel voor de vlucht: de ‘irregular flapping manner’, buitelen en zigzaggen. Maar nóg ouder was læpewince, het eerste deel verwant met Fries ljip, een naam zónder toevoeging. Lockwood 1984 veronderstelt onderliggend *laipiz: kieviet, maar als wóórd: kuif. Eigenhuis 2004 noemt Oudnoords leppr: haarlok, komt dus ook op kuif. En læpewince dan: kuif die heen en weer gaat, wapperkuif (en lapwing dan ook, al lijkt het niet zo). Kuifzwénker past alleen wanneer de mensen dachten dat hij de kuif zélf bewoog (het is de wind). Vléugelzwenker past bij de vógel, maar het onderliggende woord zou dan ‘flap’ moeten betekenen, bovendien is ljip dan vreemd: ‘kuif’ is soms een naam voor een soort, ‘vleugel’ niet.