Photo credit: Sergey Yeliseev on Visualhunt / CC BY-NC-ND

Sylvia nisoria (Bechstein 1792: Motacilla nisoria). Eng. barred warbler. Ned. sperwergrasmus.

Nisoria is een mogelijk door Bechstein zelf bedacht nisorius: sperwerachtig, van nisus, de soortnaam van de sperwer, accipiter nisus. In zijn tekst suggereert Bechstein 1795 - in 1792 had hij de vogel slechts kort, wel de naam - dat hij eerst gesperberte grasmücke bedacht, daarvan motacilla nisoria maakte. Later wordt het sperbergrasmücke, waaruit sperwergrasmus - nogal wat Nederlandse namen kwamen uit het Duits, in het bijzonder voor soorten die in Nederland niet of nauwelijks bekend waren, in Duitsland wel.

Meestal schrijft men dat de naam gegeven is voor de overdwarse bandering van de witachtige onderkant van het adulte mannetje, het ‘gesperwerde’, maar Bechstein bedoelde het héle kleed (en misschien ook wel de gele iris, wat de sperwer óók heeft). Zijn samenvatting van de kenmerken: “der Oberleib aschgraubraun, der Unterleib weißlich, mit aschgraubraunen Querlinien” (p.580). En na een uitgebreide beschrijving zegt hij: “Man sieht ... daß ihr der Name gesperberte Grasmücke mit Recht zukommt, da ihre Farbe fast in allen Stücken mit der des Sperbers gleich kommt” (p.581). Aan ‘gesperbert’ lijkt hij daarmee een eigen invulling te hebben gegeven. En die sperwer zelf: hij bedoelde het vrouwtje.

De gesperwerde onderkant is wel het méést sperwerachtige aan de vogel, komt ook bij geen andere volwassen Europese zangvogel voor. Hij ‘lijkt’ zo ook op havik, slechtvalk, koekoek - koekoeksgrasmus had ook gekund - of op de sperweruil, in 1805 strix nisoria genoemd. De bandering doet wel gegolfd aan - Bechstein noemt het ‘wellenförmig’ - en dus noemt Brehm hem curruca undata, Latijn undatus: gegolfd, zie sylvia undata. In Roemenië is silvie ondulata de officiële naam voor de vogel.

Springer 2009 denkt dat Gesner 1555 hem al had, onder Duits bürstner, maar dit lijkt eerder de grauwe vliegenvanger, muscicapa striata, zie ook daar. Olson 2007 vermeldt een (niet weergegeven) kleurtekening van Isaac la Grese van een vrouwtje of juveniel, 16e eeuw. Als dat inderdaad de sperwergrasmus is, was Bechstein niet de eerste. Wel de eerste die de vogel voor de wetenschap beschreef.

-

Enkele andere namen voor de sperwergrasmus (de codes zie op Home):

(U) Duits größte grasmücke, Bechstein 1795, omdat hij dat is.

(U) Russisch zjeltoglazka: geeloogje (glaz: oog), dat oog bij het adulte mannetje. Bechstein heeft het over ‘vurige ogen’: in een kooi met andere zangvogels viel hij daardoor op. “Man glaubt immer einen kleinen Raubvogel unter den übrigen zu sehen” (p.582).

(U) E barred warbler: gestreepte zanger. Hongaars karvalyposzáta: sperwerzanger (karvaly: sperwer). Azeri qırğı silvi: havikgrasmus (qırğı: havik). Russisch jastrebinka: havikje (jastreb: havik) - ook de naam van het havikskruid, Hieracium, waarin Grieks hierax: havik, zie bij het genus accipiter - de havik zou er beter door zien, dacht men ooit. De officiële Russische naam is jastrebinaja slavka - slavka: grasmus, de etymologie is onduidelijk.

(G) Russisch peresmesjnik: spotter, spotvogel, bij peresmejat’: bespotten. Snow 1998: in zijn zang zit soms ‘mimicry’, nabootsing van de geluiden van andere soorten (Engels mimic: nabootsen - mimicry: nabootserij, niet cry: schreeuw). De vogel spót met die andere soorten ..

(V) Duits spanische grasmücke, in Naumann 1822, waarschijnlijk een boekennaam. De naam is opgegeven voor Silezië, én voor Wenen, wat past bij het verspreidingsgebied: vanaf het oosten van Duitsland, vanaf Tsjechië, vanaf het oosten van Oostenrijk (ook: Noord-Italië), niet West-Europa, ook niet Spanje. Spaans in vogelnamen stond soms voor Spanje, soms voor kleur (spanischer rothkropf voor de kleine vliegenvanger, met een ‘Spaanse’, oranjerode keel), soms voor vreemd, zeldzaam, weinig bekend - zie bij petronia petronia nog andere aanduidingen die men hiervoor gebruikte: Turks enzovoort. Zonder dat Naumann de naam bedoelt uit te leggen, staat het in zijn tekst: hij is “noch nicht gar lange bekannt” (p.434). Bechstein 1792 zei niets over het voorkomen, maar in 1795 schrijft hij wel: “Dieser seltene Vogel bewohnt das mittlere und nördliche Deutschland” (p.580). Zeldzaam dus.