Phylloscopus trochiloides (Sundevall 1837: Acanthiza trochiloides). Eng. greenish warbler. Ned. grauwe fitis.

Sundevall ontdekt de grauwe fitis in de buurt van de Indiase stad Calcutta. Van het voorkomen in Europa weet hij niet en de uitbreiding richting Scandinavië, waar de Zweed de vogel had kunnen leren kennen, is nog niet ver genoeg. Op 15 februari 1828 bemachtigt hij een exemplaar. Hij schrijft: ‘ik zag alleen dit ene exemplaar en over de leefwijze van de soort kan ik dus niets zeggen, wel viel me op dat hij ook in zijn bewégingen erg op de fitis leek, zó dat ik dacht déze voor me te hebben, maar de afgeplatte en veel bredere snavel, en de iets anders gevormde vleugels, leerden me dat dat niet klopte’.

In de naam winnen verschil én gelijkenis, al formuleert Sundevall het anders: trochiloides vanwege “En märkvärdig likhet med var Sylvia trochilus”, ‘Een opmerkelijke gelijkenis met onze sylvia trochilus’, de fitis, nu phylloscopus trochilus (p.76). De naam betekent: lijkend op de trochilus, voor het naamtype vergelijk bij larus glaucoides en locustella luscinioides. Bij andere loofzangers had men ook trochiloides kunnen geven, zie bij phylloscopus de moeite die men had om de ‘groenige vogeltjes’ te onderscheiden. Bij phylloscopus inornatus zit het thema ook.