Photo credit: peter vogel.troll via VisualHunt.com / CC BY

Parus major Linnaeus 1758. Eng. great tit. Ned. koolmees.

Mezen zijn vrij klein en de opvallend grotere wordt dan al gauw major genoemd. Latijn maior: groter, in vogelnamen vaak: groot. De koolmees is de grootste van de mezen.

Het begint bij Aristoteles. Hij kent op z’n minst drie mezen: een kleine aigithalos, niet te bepalen - daarnaast aigithalos oreinos, met lange staart, zie bij aegithalos, het genus van de staartmees - en aigithalos spizites, de grootste van de drie. Grieks aigithalos was een algemene naam voor mezen, dus: mees.

Grieks spiza was waarschijnlijk de vink, spizites: zo groot als de spiza. Zo kon men bepalen dat aigithalos spizites de koolmees moest zijn geweest. Wat de schrijvers na Aristoteles er óók onmiddellijk in zagen.

Dat het om mezen ging, bleek ook uit het aantal eieren dat de soorten volgens Aristoteles legden: ‘tot wel 17 stuks, soms meer dan 20’. Koolmees en pimpelmees staan erom bekend: ze kunnen tot circa 18 eieren leggen.

Turner 1544, Gesner 1555 en Belon 1555 hebben bij spizites de vertaling fringillago. Latijn fringilla: vink. Gesner, bij dit overgenomen fringillago: “Sie ist die allergröste” (Horst 1669, I-349). Maar zijn eígen naam voor is parus maior, wat Linnaeus overneemt. De anderen hebben vergelijkbare namen, Turner great titmous: grote mees, Belon onder andere parus maxima. Als een van zijn Duitse namen heeft Gesner grosse meiß.

Er is van fringillago wel gedacht dat het een naam was voor het vinkachtige ‘ping’ van de koolmees. Wat ook wel gedacht werd van Nederlands vinkmees en Duits finkenmeise, maar deze ontstonden waarschijnlijk door fringillago, en Aristoteles bedoelde de grootte.