Koolmees links, zwarte mees rechts. Photo credit: susie2778 on Visual Hunt / CC BY-NC

Parus major Linnaeus 1758. Eng. great tit. Ned. koolmees.

Mezen zijn vrij klein en de opvallend grotere wordt dan al gauw major genoemd (Latijn maior: groter, in vogelnamen vaak: groot). De koolmees is de grootste van de mezen.

Het begint bij Aristoteles. Hij kent op z’n minst drie mezen: (1) een kleine aigithalos, waarbij de soort niet te bepalen is, (2) aigithalos oreinos, eentje met een lange staart, zie verder bij aegithalos, het genus van de staartmees, (3) aigithalos spizites, de grootste van de drie. Grieks aigithalos was een algemene naam voor mezen, betekent dus: mees.

Grieks spiza was waarschijnlijk de vink, en de spizites was: 'zo groot als de spiza'. Zo kon men bepalen dat het de koolmees moest zijn geweest. Wat de schrijvers na Aristoteles er óók onmiddellijk in zagen.

Dat het om mezen ging, bleek ook uit het aantal eieren dat de soorten volgens Aristoteles legden: ‘tot wel 17 stuks, soms meer dan 20’. Koolmees en pimpelmees staan erom bekend: ze kunnen tot circa 18 eieren leggen.

Turner 1544, Gesner 1555 en Belon 1555 hebben bij spizites de vertaling fringillago (Latijn fringilla: vink). Gesner: “Sie ist die allergröste” (Horst 1669, I-349). Maar zijn eígen naam voor de koolmees is parus maior, wat Linnaeus vervolgens overneemt. De anderen hebben overigens vergelijkbare namen, Turner heeft Engels great titmous: grote mees, Belon heeft onder andere parus maxima. Als een van zijn Duitse namen heeft Gesner grosse meiß.

Er is van fringillago wel gedacht dat het een naam was voor het vinkachtige ‘ping’ van de koolmees. Wat ook wel gedacht werd van Nederlands vinkmees en Duits finkenmeise, maar deze kwamen waarschijnlijk uit fringillago voort. Aristoteles bedoelde de grootte.

-

Enkele andere namen voor de koolmees (de codes zie op Home):

(U) N koolmees, in Houttuyn 1763: eigenlijk “Kole-Mees, wegens zyn Kop, zo zwart als Houtskolen” (p.593). Parus ater kon ook: zwarte mees, zie bij periparus ater, en daar ook meer over het naamtype ‘koolmees’. In Spanje is er carbonerica, carbonero betekent kolenbrander: door kolen te branden werd de koolmees zwart .. vergelijk phalacrocorax carbo voor de aalscholver (Latijn carbo, Spaans carbón: houtskool). Voor het gele zijn natuurlijk ook namen gegeven.

(G) Veel namen kreeg de koolmees voor de zang, een herhaling van motiefjes als tie-tuu, tsie-dè, sie-sie, waarmee hij ook nog varieert. Soms is het dríelettergrepig: tietie-fuu, ziezie-dèh, en door de herhalingen wordt het soms ‘zaagje’ genoemd. Enkele van de vele verklankingen ervan zijn Picardisch titufieu, lokaal Frans picoutchu en lokaal Spaans chichipán. Soms zit er een extra betekenis in: Nederduits kîk-int-ei, Engels sit ye down, Frans huit écus (acht écus, de écu was een oude Franse munt), Duits schmidetseasch (schmiede das Sech!, het ploegijzer), Spaans sí señor (zijn antwoord op de vraag of het morgen gaat regenen). Indirecte verklankingen zijn er ook: Engels carpenter-bird, timmermansvogel, Spaans cerrajero, wat ook slotenmaker is, Nederlands smidje, een naamtype bij divérse soorten, vooral voor het geluid, bij de ene soort vanwege het hamerende ritme ervan, bij de andere het geluid zelf (bij de koolmees het vijlen; in Zweden is er voor de koolmees filarefågel: vijlervogel).

(G) Brabants bijmees, een naamtype met vele variaties, ook buiten Brabant. Er zijn ook vele verbasteringen van, en voor de pimpelmees, cyanistes caeruleus, is hij ook gegeven, en bij Gesner 1555 al is er Duits bymeisse (“quod apiculas devoret”, p.616, apis: de bij, apicula: een kleine bij). Zeker de koolmees pakt wel eens een dode, zieke of in de winter verkleumde bij, of stimuleert bijen naar buiten te komen door op de korf te tikken (Achterhoeks biemeze: hij “heet zo umdat ze in de winter de bi-jen met tikken op den korf noor boeten lokt en ze dan opvret”).

(G) Oudnoords spiki, uit spik: spek. Oudengels spicmāse: spekmees. Duits speckmeise, in Bechstein 1795. Frans lardère, lard is spek. Zweeds talgmes, talg is vet, mes is mees. Voor de koolmees hangt men in de winter soms vetbollen op, lang geleden misschien wel eens een spekzwoerd, maar in oude boeken staan ook verhalen over koolmezen die zónder uitnodiging langskwamen, om aan het vlees te pikken (men slachtte thuis), en Bechstein schrijft dat men ze in kooitjes had en ze daarin onder andere voerde met vet, spek of vlees.

(?) Vlaams kezemees, Brabants kezemieke, Kerkraads kieësmütsje, een naamtype met vele variaties, is ook opgegeven voor de pimpelmees. De etymologie is onduidelijk, ‘kaas’ is niet per se de oplossing. In de 'Loquela' van 1881-1895 geeft Gezelle als een Vlaamse uitdrukking: ‘Hij is zoo zot als ’n kezemees’, een uitdrukking die misschien geïnspireerd was door het rusteloze van mezen, vergelijk bunglsieske bij parus - het lijkt erop dat men ‘als een mees’ moet lezen: de gegevens over Vlaanderen suggereren dat kezemees als een algemene naam werd gebruikt, als een naam voor ‘mees’, hoewel vooral voor koolmees en pimpelmees (de gegevens over Brabant suggereren hetzelfde over bijmees).