Photo credit: Phil du Valois on Visual Hunt / CC BY-NC-ND

Cyanistes caeruleus (Linnaeus 1758: Parus caeruleus). Eng. blue tit. Ned. pimpelmees.

Zoals de koolmees in vele namen ‘de grote’ heet, zo heet de pimpelmees in vele namen ‘de blauwe’. Op kop, hals, vleugels en staart is de pimpelmees blauw, het meest het mannetje. Maar caeruleus, blauw in het Latijn, is gegéven voor het blauwe ‘petje’. Gesner 1555 geeft hem: parus coeruleus, latinisering van Duits blawmeiß, ‘de enige mees met een blauwe kop: de andere hebben een geheel of gedeeltelijk zwarte’ (p.616). Belon 1555, bij zijn mesange bleuë, is lyrisch: de kruin is “de moult belle couleur bleuë”, van het móóiste blauw (p.369). Met de zon erop inderdaad helemaal.

Met caeruleus gaven de Romeinen in het bijzonder de kleur van de hemel aan, via *caelo-lo-s was het woord juist ook gevórmd uit caelum: de hemel. En ‘dus’ is er Brabants hemelmees, voor dat hemelsblauwe petje. Er zijn vele volksnamen voor, hoewel een deel ook voor het ‘héle’ blauw zal staan.

Thompson 1936 schrijft, weinig onderbouwd, dat Grieks aigithos de pimpelmees was. Al beter klinkt André 1967 die Grieks kuanaiginthos heeft: blauwe aigithos. De bij de koolmees genoemde 'kleine aigithalos' van Aristoteles kan ook de pimpelmees zijn geweest.

-

Enkele andere namen voor de pimpelmees (de codes zie op Home):

(U) Vlaams inkele kees, ‘kleine mees’, tegenover dobbele kees voor de koolmees (kees: zie bij de koolmees Vlaams kezemees, maar deze, en Brabants bijmees aldaar, worden ook voor de pimpelmees opgegeven). Gesner 1555 had voor zijn parus coeruleus ook parus minor.

(U) Zwitserduits bläueli: blauwtje, Gronings blomaiske: blauwmeesje, officieel Duits blaumeise, officieel Russisch lazorevka, waarin lazorevuj: azuurkleurig, terwijl ze de azuurmees knjazek noemen: kleine prins, vanwege de delicate kleuren.

(U) Duits jungfermeise, vermeld in Bechstein 1795, de naam waarschijnlijk voor het tere (Jungfer: juffer, juffrouw). Svensson 2010: “Maakt lieflijke en innemende indruk”, taal die vogelgidsen niet gauw bezigen. In een oud Duits boek: jungfer ‘wegen ihres zarten, weichlichen Wesens’ - terwijl Engels billy biter iets anders laat zien: dat ze verstoring van het nest met vinnige uithalen beantwoorden.

(G) N pimpelmees, van oorsprong waarschijnlijk Duits: in Bechstein 1795 was het pimpelmeise en Gesner 1555 had uit Longolius 1544 Duits pimpelmeyß, een naam aan de Middenrijn. Er is blauw in gezien (men vergeleek met pimpelpaars), en klein (door Nederduits pimpeln: zwak of teer zijn), maar geen van de twee ideeën doorstond de toets der kritiek. ‘Der Grimm’, het ‘Deutsches Wörterbuch’, in 1838 begonnen door de gebroeders Grimm, had een werkwoord pimpeln: “eigentlich wie eine schelle fortwährend klingen” (als een klokje voortdurend klingelen), en voegde nog toe: ‘vergelijk bimmeln’, bellen, tingelen (zie ook Antwerps bimmelken: kerkklokje). Met dit pimpeln hangt de naam waarschijnlijk samen - het eind van de zang van de pimpelmees, en soms de hele zang, is als een rinkelend belletje, soms letterlijk een snel pim-pim-pim. Met andere beginletter zijn er Vlaams timpermeze en Engels tinnock (-ock is hetzelfde suffix als in dunnock, heggemus, zie het genus prunella). Provençaals pimparrin. Italiaans zinna.

(G) Spaans herrerillo: smidje (hierro: ijzer), officieel Spaans herrerillo común: gewoon smidje - vergelijk smidje bij de koolmees, parus major - herrerillo mogelijk voor als hamerend ervaren pim-pim-pim, maar naast hameren vijlde de smid en dan past de naam bij het scherpe éérste deel van de zang, of bij de scherpe sisidu-roep.

(G) Lokaal Italiaans ciribibin en bérébébé, zullen namen zijn voor het scheldende tèrrr-rríddede, het ritme in de namen is daaraan gelijk.