Photo credit: Linton Snapper via Visualhunt.com / CC BY

Panurus biarmicus (Linnaeus 1758: Parus biarmicus). Eng. bearded tit. Ned. baardmannetje.

Biarmicus is een veelbesproken naam, omdat de betekenis niet zomaar duidelijk was, maar ook doordat het bij Linnaeus een naam voor de staartmees leek te zijn. Linnaeus raakt in de war door een merkwaardige tekening bij Rudbeck, waarop de staartmees een krullekop heeft, maar met biarmicus bedoelt hij toch het baardmannetje, dat hij kent via Albin, later Frisch, later Edwards. Bij onder andere Boie en Anfält staat dit verhaal niet geheel correct, het voert te ver het hier uit de doeken te doen.

Er is vaak gedacht dat biarmicus stond voor ‘behorend tot Biarmia’, een oud rijk tussen Russisch Perm en Archangelsk, waarmee Noren en Zweden al voor het jaar 1000 handel dreven. Het baardmannetje komt er echter niet voor. En Linnaeus schrijft: “Habitat in Europa” (p.190). Als hij informatie uit of over Biarmia had gehad (maar van wie? en over wat?) dan had hij waarschijnlijk “Habitat in Biarmia” geschreven, of “Habitat in Russia”.

De naam heeft vrij zeker te maken met de zwarte baardstrepen van het mannetje, hoewel anders dan men vaak schrijft. Biarm- is inderdaad gevormd uit Latijn bis, in samenstellingen bi-: tweemaal, en arma: uitrusting, wapens, schild, maar de vertaling ‘dubbel bewapend’ is minder juist. Je kunt de strepen als ‘krijgshaftig’ zien, maar vrij zeker ging het om ‘dubbel opgetuigd’, aan twee kanten behangen of versierd – dát namelijk las Linnaeus in de eerste beschrijving van de vogel, bij Albin 1731.

Begin 15e eeuw is er een kleurtekening bij de Italiaanse schilder Pisanello, maar Albin is de eerste die de vogel beschríjft. Hij benoemt hem met een vreemd beardmanica, waarschijnlijk denkend aan *bearded manikin: gebaard mannetje (Engels manikin, Frans mannequin, uit Middelnederlands mannekijn). In de tekst van Albin staat: “from the Bill to the back Part of the Eyes, on each Side, a Tuft of black Feathers hangs down, ending in a point, representing a picked Beard [een opgesierde baard], from which Mark it has the Name of Beardmanica” (p.46). Linnaeus zal hierdoor op ‘dubbel opgetuigd’ gekomen zijn, ‘aan beide kanten versierd’.

Nederlands baardmannetje zóu de bron van beardmanica kunnen zijn geweest, maar de naam staat pas in Houttuyn 1763. Als alternatief: de Nederlandse naam, of Fries burdmantsje, zou via de vogelhandel in Engeland terechtgekomen kunnen zijn, maar Albin zégt niets in deze richting, wel dat hij de vogels kocht van iemand die ze uit Jutland had - en dat hij later hoorde dat ze ook in Engeland zaten.

Gotch 1981 en Jobling 1991 scharen zich achter het vaker geopperde idee dat biarmicus een vervórming van beardmanica was. Dat was het dus niet. Het was een als-het-ware-latinisering ervan.