Aldrovandi 1600.

Remiz pendulinus (Linnaeus 1758: Motacilla pendulinus). Eng. penduline tit. Ned. buidelmees.

In pendulinus zit Italiaans pendulino/pendolino, een naam voor de buidelmees horend bij Italiaans pendulo/pendolo: slinger, vergelijk pendule: slingeruurwerk. Latijn pendulus: hangend - pendere: hangen. De buidelmees vlecht aan een tak een buidelvormig nest dat op de wind heen en weer beweegt, doordat het hangt.

Aldrovandi 1600 heeft vier tekeningen van wat volgens hem nesten van de staartmees waren. Zeker één ervan echter, op p.717, is van de buidelmees: opzij, bovenaan, zit een buisvormige opening, het nest zelf vrij hangend aan het eind van een vertakte twijg (de staartmees maakt het tegen een stam, in een vork, of rond takken, niet vrij hangend). In de tekst heeft hij pendulino, ‘bij Malalbergo’ in de buurt van Bologna, mogelijk de oudste optekening van de naam. Rzaczynski, die in 1721 alleen remiz heeft, zie aldaar, heeft in 1736 parus nidum suspendens: mees met hangnest, waarschijnlijk door Aldrovandi, hij weet dan in ieder geval van die nesten. Titius 1755 heeft pendulino idem als naam bij Bologna: ‘Bononiensium Pendulinus’ (Bononia werd Bologna). Linnaeus tot slot verwijst voor pendulinus ook al naar een Bolognese bron.

Springer 2009 denkt onterecht dat Gesner 1555 de buidelmees al had. Er is wel een 16e eeuwse Franse kleurtekening waarop een vrouwtje en een juveniel, gepubliceerd in Olson 2007. Het óudste levensteken is een beschrijving van het nest bij Albertus ±1260 (Kinzelbach 2002).

Houttuyn 1763 zet pendulinus om in hangnestje, de eerste Nederlandse naam voor de vogel. Buffon 1770-1783 heeft een heel ander naamtype, Zuid-Frans debassaire: kousenmaker, kousenhandelaar.

Een hangnest is er ook bij de wielewaal, en de Spaanse naam voor de wielewaal is oropéndola, waarin oro, goud, voor de kleur van de vogel. Plinius kende het hangnest van de wielewaal al en gebruikt in zijn tekst erover het Latijnse werkwoord sus-pendere: op-hangen.