Photo credit: Ján Svetlík via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Tichodroma muraria (Linnaeus 1766: Certhia muraria). Eng. wallcreeper. Ned. rotskruiper.

Linnaeus 1766 had de rotskruiper in certhia, zie dat genus, Illiger 1811 zet hem in tichodroma, een gelatiniseerde samenstelling van Grieks teichos: muur, en dromos: heen en weer lopend. Hij bedoelt muurloper - voor de uitleg zie bij oceanodroma: oceaanloper.

In het hooggebergte, bijvoorbeeld de Alpen, kenden sómmigen de vogel van de rotswanden waar hij tegenop loopt en voedsel zoekt - váker echter zag men hem in de winter, als hij naar de dalen komt en mensenmuren bewoont. In de namen voor de soort komt het naamtype ‘muurkruiper’ ook meer voor dan het naamtype ‘rotskruiper’ - maar de waarschijnlijk oudste afbeelding ervan, op het schilderij ‘Saint Jerome’ van Cosimo Tura rond 1470, is een rotskruiper die op de knoest van een boom zit: artistieke vrijheid.

Als Duitse naam heeft Illiger mauerklette, klettern: klimmen. De muur zat al bij Belon 1555, in pic de muraille: muurspecht. Ook bij Gesner 1555. En ook in de tékst komen Belon en Gesner overeen. Bij “De Pico Murali” (p.683) schrijft Gesner: ‘zoals spechten tegen bomen kleven, zo kleeft de murspecht tegen muren, zoekt daar zijn voedsel’. En hij latiniseert dit Zwitserse murspecht tot picus muralis. Aldrovandi 1599 citeert de naam, maar in zijn kópje heeft hij picus murarius en in deze versie komt de naam bij Linnaeus. ‘Van een muur’ (muralis) wordt ‘met betrekking tot een muur’ (murarius). Aldrovandi hád ‘muurklever-specht’ kunnen bedoelen, zie de redenering bij falco columbarius, en in de Middeleeuwen ontstond murarius: metselaar, maar niets in de tekst wijst erop dat hij iets anders bedoelde dan muralis. Kortom: muurspecht. Tegenover: boomspecht.

In tichodroma muraria, waarin twee keer hetzelfde staat, zit niet per se de verwondering over hun gedrag - die er wel wás: men was verbaasd over het gemak waarmee ze tegen muren lopen en verrukt van het daarbij steeds flitsende rood. In Frankrijk ontstond oiseau-papillon: vlinder-vogel, vlinder waarschijnlijk voor het vlinderachtig spreiden van de vleugels tijdens het lopen/kruipen (váker per minuut dan het aantal seconden daarin), maar ook voor het patroon van kleuren dat dan zichtbaar wordt - of als hij de vleugels spreidt, of als hij vliegt - het patroon zo bont als bij sommige vlinders, meer nog: goed vergelijkbaar met dat van de atalanta, die óók in de Alpen zit.

In Frankrijk noemt men ze soms exotisch. Aristoteles zei zoiets over de gnaphalos: ‘goede stem, mooie kleur, verschijnt zelden op andere plaatsen dan die van hem zelf’, dat is: komt uit den vreemde. Volgens Arnott 2007 was het de rotskruiper, die men waarschijnlijk alleen in de winter zag, en niet vaak, en zomaar ineens tegen een muur, een vreemde vogel in diverse opzichten. De pestvogel zou ook een kandidaat kunnen zijn, zeker wanneer gnaphalos een vorm is bij Grieks gnapto/knapto: wol kaarden, de naam dan voor het fluwelig aandoende kleed (Chantraine 1968).