Photo credit: trebol_a via Visual Hunt / CC BY-NC-SA

Lanius senator Linnaeus 1758. Eng. woodchat shrike. Ned. roodkopklauwier.

Bij de Romeinen was de senator een raadsheer, een lid van de Romeinse senaat. Bij Polemius Silvius, vijfde eeuw na Christus, was het ook een vogelnaam, in een reeks namen waarbij hij geen uitleg geeft. Kleine kans dat Linnaeus de naam zag, hij verwijst er ook niet naar, maar óók niet naar iemand in de ornithologie die senator al eerder gebruikte. André 1967 kan senator bij Silvius alleen verbinden met Frans sénateur (Duits rathsherr voor de ivoormeeuw, pagophila eburnea, werd later Frans sénateur), maar hij ziet natuurlijk ook dat deze arctische soort niet past. Hij besluit ermee dat de onbekende vogel iets waardigs zal hebben gehad.

De senator van Linnaeus lijkt dus uit de lucht te komen vallen. En ook dat Linnaeus de roodbruine kruin van de roodkopklauwier purperkleurig noemt (“occipite purpureo”, p.94). Maar senator en purper passen wél bij waaraan hij waarschijnlijk dacht: het witte Romeinse gewaad met de brede, purperkleurige, verticale zoom, vaak op borst en buik, soms op de rug. Deze ‘clavus latus’, brede zoom, gaf senatoren nog meer waardigheid en aanzien dan ze door het witte kleed toch al hadden.

Toch wéét Linnaeus van het roodbruine: hij kent de vogel in het bijzonder door tekening en tekst bij Albin 1734, die de kruin vaalrood/roodbruin noemt. Als Engelse naam had Albin red headed butcher-bird, roodkopklauwier. Linnaeus had op lanius rubriceps kunnen uitkomen: roodhoofdige klauwier. Of op ruficeps: roshoofdige. Zelfs Houttuyn, die Linnaeus meestal volgt, kiest voor een Nederlands roodkop - door Willughby 1676, die de kruin ‘allermooist roodachtig’ noemde, en door Klein 1750 die Duits rohtkopff had, gebaseerd op de naam van Albin. Niemand heeft het over purper.

Misschien dacht Linnaeus aan purperrood: het roodbruin op de tekening bij Albin is roder dan wat zijn tekst zegt, komt in de buurt van purperrood, is ook roder dan bij de vogel zelf. Daarnaast: op de tekening loopt over kruin en nek een lange zoom, meer dan over de vogel zelf (vergelijk de zoom hogerop). De naam senator bij Polemius Silvius hoeft geen rol te hebben gespeeld, maar áls Linnaeus hem zag, kan hij gedacht hebben dat ook toen al de roodkopklauwier was bedoeld. Maar wat misschien ook meespeelde is dat Aldrovandi 1599, die als eerste de roodkopklauwier goed beschrijft ('bruinachtige kruin'), hem ‘de eerste en tevens mooiste’ noemde in een groepje van klauwieren kleiner dan de klapekster (“Primum, idque pulcherrimum”, p.389). De senator was ook zo: voornaam, en mooi gekleed.

De óudste naam voor de vogel was qua kleur gelijk goed: Frans pie griesche à teste rousse, klauwier met een rossige kop, een naam op een 16e eeuwse Franse kleurtekening, gepubliceerd in Olson 2007. Als oudste kleurtekening geldt een muurschildering in het oude Egypte.

-

Enkele andere namen voor de roodkopklauwier (de codes zie op Home):

(U) Catalaans capsigrany. Cap is kop, voor sigrany is gedacht aan de cigró, de kikkererwt, 'kikkererwtkop' kan hebben gestaan voor het roodbruine van kruin en achterhoofd (al is de kikkererwt lichter). Coromines 1980-1991 echter oppert verbastering van Latijn sericaneus (Latijn sericus: van zijde), en capsigrany is dan als het ware: vogel met een rood zijden doekje op de kop (met invloed van malakokraneus bij Aristoteles, wanneer men zijdezacht invulde? zie bij lanius minor voor de kleine klapekster).

(U) Catalaans cap-gros: dikkop, maar het woord betekent ook: kikkervisje (‘dikkop’). En voor de grauwe klauwier was er Duits dickkopf: klauwieren hebben dikke koppen, dikkere dan de meeste andere zangvogels. Spaans alcaudón, een algeméne naam, maar de roodkop is er dé klauwier, de alcaudón común - er is een etymologie die afleidt van Spaans-Arabisch *alqabţun (Spaanse woorden met al- zijn al gauw Spaans-Arabisch, al is een lidwoord), maar de Arabische kwam op zijn beurt mogelijk uit Latijn capito: dikkop .. Duits groschker, met in Frisch 1763: de naam “scheint von Großkopf seinen Ursprung zu haben, doch kan er auch wohl von seinem knarrenden Geschrey herkommen” (de zang is inderdaad opmerkelijk, maar er lijken weinig namen voor gegeven te zijn - misschien Spaans chajorro in de Extremadura?).

(V) Lanius pomeranus, in Sparrman 1786, ‘Museum Carlsonianum’, deel I, met een duidelijke kleurtekening (plaat 1) en in de tekst “Habitat in Pomerania”. Sparrman geeft geen uitleg, maar hij zal dan iets geweten hebben over het toenmalige voorkomen: in Mecklenburg-Vorpommern broedde de vogel tot 1925 (zoals hij ook in Nederland broedde). In Duitsland kreeg je pomeraner en pommerscher würger, waarschijnlijk door die van Sparrman: Bechstein, Naumann en Brehm, in hun eerste werken, noemen Pommeren niet (wel het broeden in Duitsland).

(?) E woodchat shrike, bij Ray 1713 was het woodchat, wat bosbabbelaar zou kunnen zijn, maar in echt bos zit hij niet (wel in ópen bosgebied) en in Engeland zit hij al helemaal niet. Lockwood 1984: het was een drukfout, of het was een andere soort. Newton 1893-1896: Ray vertaalde misschien Duits wald-katze, maar de drukker, die wood-cat niet begreep, maakte er wood-chat van .. In ‘Vollständiges Natursystem’ van 1773 schreef Raspe, maar bij de grauwe klauwier, lanius collurio: “Die Engländer nennen ihn Wood-chat, oder Waldkatze, weil er den Mäusen in den Wäldern und auf dem Felde nachstellet”, belaagt (II-114). Was dan juist de Duitse naam een vertaling? Of suggereert de onverwachte gelijkstelling chat/katze dat waldkatze bestónd? Bechstein 1802 hád de naam in elk geval, en Katze kan staan voor: muizen en kleine vogels bejagen. Verder was er Duits strangkatze, voor de grauwe klauwier, mogelijk van Strang: strop, en vergelijk Duits strangulieren: wurgen. Misschien had Newton gelijk.