J. G. Keulemans. Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Lanius excubitor Linnaeus 1758. Eng. great grey shrike. Ned. klapekster.

Latijn excubitor betekende waker, wachter, schildwacht (Latijn excubare: onder de blote hemel liggen, de wacht houden, waken). Linnaeus kwám er waarschijnlijk op door Zweeds warfogel, nu als varfågel de officiële Zweedse naam voor de klapekster. Letterlijk is warfogel: gewaarvogel, vogel die iets gewaar wordt, die net als een schildwacht iets ontwaart.

De naam zóu een verbastering kunnen zijn van *wargfogel, waarin Oudzweeds vargher zou zitten: wolf, misdadiger. In het Oudhoogduits namelijk was er wargengil, voor ‘klauwier’, bij Albertus ±1260 vuarchengel, waarschijnlijk voor de klapekster, en Kitson 1997 denkt aan een Oudengels *wearg-angel, waarin het eerste deel misdadiger is, het tweede deel ‘vishaak’. Men betichtte klauwieren van ‘misdadige praktijken’ (opprikken van de prooi, zangvogels vermoorden, zie bij lanius) en de vishaak stond dan voor de doorns waarop ze de prooi prikten (voor Nederlands klauwier vergelijk Middelnederlands clauwier: haakspijker, zie idem bij lanius). Onduidelijk is echter of *wargfogel ooit bestond. En later werd het dan toch warfogel. En daarna excubitor.

De reden voor ‘war’ is waarschijnlijk niet dat de klapekster vaak op een hoog punt in opgerichte houding naar prooi speurt, het ging erom dat valkeníers de vogel gebruikten, om naar róófvogels te speuren. Linnaeus 1746 schrijft niet voor niets: “Aucupibus Warfogel”, ‘Bij vogelvangers warfogel’ (p.68).

Valkeniers vingen hun valken in Nederland, Noorwegen, Zweden, en op IJsland. Hulpmiddel was een klapekster, aan een touw of in een kooi: zijn gekrijs en geklapwiek ‘onder de blote hemel’ maakten zelfs duidelijk wélke roofvogel in aantocht was, en zo kon de valkenier bepalen welke methode hij moest inzetten om hem te vangen. Nilsson 1858 beschrijft het voor Zweden: hoe valkeniers uit onder andere Falkenwerth, Valkenswaard, het toenmalige Nederlandse centrum van de valkerij, op de Zweedse bergen valken vingen, met in een kooi “en lefvande Varfogel”, ‘een levende klapekster’, “som just af denna vakthållning fått sitt namn”, ‘die juist door deze wachtdienst zijn naam gekregen had’ (I-16).

De uitleg bij Linnaeus 1758 was heel anders: “Accipitres adventantes observat & aviculis indicat”, ‘Hij let op naderende roofvogels en wijst er kleine vogels op’ (p.94). Linnaeus wist van de valkeniers, maar noemt ze niet. Noemt ook niet het speuren naar prooi. Wat hij wél geeft, is fantasie. Mogelijk speelde een rol dat in ‘var’ hetzelfde gewaar zit als in Zweeds varna: waarschuwen. Dat deed hij óók, waarschuwen, maar de valkenier, door voor gewaarvogel te spelen.

Bij de eerste grote bloei van de ornithologie, na 1500, kennen de belangrijkste schrijvers de klapekster, zie bij lanius en bij lanius collurio. De oude Grieken kenden hem mogelijk ook, onder de naam kollurion, zie idem bij lanius collurio, maar vrij zeker kenden ze de kleine klapekster, zie bij lanius minor. Bij de Romeinen zijn er merkwaardig genoeg geen tekenen van, ook niet van andere klauwieren.

-

Enkele andere namen voor de klapekster (de codes zie op Home):

(U) Duits elsterle: ekstertje, zie bij klapekster verderop.

(U) E great grey shrike, en de kleine klapekster heet lesser grey shrike, zoals men ook in enkele andere landen de twee onderscheidde, weer andere doen het naar de kleur, maar sommige hebben ongerelateerde namen. Belon 1555 had Frans grande pie griesche: grote klauwier, tegenwoordig is de officiële naam pie-grièche grise, en de kleine is genoemd naar de rossige onderkant (de etymologie van pie-grièche is omstreden). Willughby 1676 had lanius cinereus major, “The greater Butcher-bird” (p.53), butcher betekent slager, slachter, was een vertaling van lanius (butcher werd, naast shrike, een algemene naam voor de klauwieren, vaak in de vorm butcher-bird).

(U) Frans la blanche: de witte. Belon 1555 geeft het als een naam bij vogelvangers. Hij beschrijft ook het vele wit aan de vogel (vaak ook maakt hij een witte índruk). Canadees silky jay, hoewel de Noord-Amerikaanse vogel nu van excubitor afgescheiden is, lanius borealis heet.

(G) N klapekster, oudste vermelding in Schlegel 1852. Over de ékster schreef Nozeman 1770: hij is “zeer wel geschikt tot het leeren snappen. De jonge Aeksters, die, om ze te leeren klappen, uit de nesten worden genomen [...]”. Eigenhuis 2004: klapekster zal dan een naam voor de ekster zijn geweest, omdat men ze leerde praten .. Maar klappen (‘het naspreken van woorden door vogels’) kan ook ‘babbelen’ betekenen, en snappen kan dat óók betekenen, en babbelekster past, bij de klapekster, bij de zang (Vlaams babbelaar is er een naam voor, en figuurlijk is klapekster: babbelkous). Door kleed en staart vergeléék men met de ekster, enkele van de vele namen waarin dit zit zijn Duits elsterle: ekstertje, Waals grise agasse: asgrijze ekster, en lokaal Frans chaspi: chasse-pie, jaag-ekster. Van óverdracht van namen (van de ekster op de klapekster) zijn niet zomaar voorbeelden te vinden, en de vraag is dan: waarom zou dat wel met deze ene naam zijn gebeurd, bij de overeenkomst in het kleed hadden ook ándere namen overgedragen kunnen zijn. Kortom, de naam kan ook heel goed bij de klapekster zelf zijn ontstaan. Voor het babbelen.

(V) Fins metsähakki: bosjeskauw (hakki is de kauw). Bij voorkeur zit de klapekster in open gebied met struiken en verspreid staande bomen (de kauw omdat ook díe babbelt?). Duits gebüschfalke: bosjesvalk, vermeld in Bechstein 1791, was vóór Bechstein een naam voor álle klauwieren, ze werden Gebüschfalken genoemd (voor die valk zie falconello bij lanius). In echt bos zit de klapekster overigens niet, wel noteerde Gesner 1555 Duits waldhäher en waldherr: beide betekenen bosgaai (de gaai omdat ook de vlaamse gaai babbelt?) (in Nederland is ooit foutief vertaald met waldheer, en dat merkwaardige heer werd uitgelegd met ‘de opgerichte houding’, zoals hij toevallig inderdaad op een struik of boom 'staat', als een heertje).