Photo credit: Andy Morffew via Visualhunt / CC BY

Garrulus glandarius (Linnaeus 1758: Corvus glandarius). Eng. jay. Ned. vlaamse gaai.

In de herfst verzamelt de vlaamse gaai eikels (Latijn glans: eikel) - stopt ze op uiteenlopende plaatsen in de grond en eet er in de winter en de lente van. Wat hij níet opgraaft, kan tot eikenbomen uitgroeien: de verspreiding van de Europese eikenbossen is voor een deel zijn werk. Glandarius kan worden opgevat als ‘met betrekking tot de eikel’, garrulus glandarius dan eikelgaai, maar ‘eikelaar’ past ook: iemand die iets met eikels doet, ze eten, ze verstoppen, zie -arius bij falco columbarius en daar naast ‘vogelaar’ ook anataria, wat als zelfstandig naamwoord kon worden gezien. André 1967 geeft voor de vlaamse gaai Latijn glandaria, een zelfstandig naamwoord.

Linnaeus ent corvus glandarius op pica glandaria, een van de namen van Gesner 1555 voor de vlaamse gaai, door Houttuyn 1762 met eikel-aakster vertaald. Gesner op zijn beurt volgde Plinius, met zijn twee pica’s: de vlaamse gaai en de ekster, zie bij het genus picus en bij de ekster, pica pica. Plinius weet dat zijn eerste pica, de vlaamse gaai, ‘zich met eikels voedt’, “quae glande vescuntur” (X-119). Noemt hem naast pica dan ook pica glandaris: eikel-ekster.

Aristoteles wist al dat hij eikels verzámelt: ‘als de eikels schaars worden, legt hij een geheime voorraad aan’. Hij zegt dat bij kitta, ook kissa, nu nog kissa en kiza, volgens etymologen klanknamen. Linnaeus wist natuurlijk al meer: “colligit nuces, glandes; superfluas defodit”, ‘verzamelt noten en eikels, en begraaft de overtollige’ (p.106).