Gesner 1555

Nucifraga caryocatactes (Linnaeus 1758: Corvus caryocatactes). Eng. nutcracker. Ned. notenkraker.

Gesner 1555 kent voor de notenkraker nucifraga: notenbreker, de naam die Turner 1544 eraan gaf, zie het genus. Hij weet ook dat Turner de naam op Zwitserduits nußbrecher baseerde, en ook de reden, maar voegt toe: ‘je kan nußbrecher ook in caryocatactes omzetten, want de Griekse schrijver Athenaeus had voor een instrument waarmee je noten kraakt, of voor een mens die dat doet, Grieks karuokataktes, idem notenbreker’ - Grieks karuon: noot, en katagnumi: breken, stukslaan. Gesner wilde de vogel ‘gewoon zo noemen’ - “Caryocatacten appellare libuit” (p.237). En zo heet hij nu: Notenkraker notenkraker.

Linnaeus volgt Gesner: corvus caryocatactes. Houttuyn 1762 geeft nootekraaker, mogelijk als vertaling van nucifraga bedoeld. Daarnaast citeert hij als een van de dan gebruikte synoniemen Zweeds notkraka, in Linnaeus 1746 nötkraka, maar dat betekende notenkráái.

Ongetwijfeld zag Linnaeus dat de tekening die zijn leermeester Olof Rudbeck (1660-1740) gemaakt had, dezelfde vogel betrof als de even fraaie tekening bij Gesner, dit waarschijnlijk de éérste tekening van de notenkraker.