Photo credit: Åsa Berndtsson via Visualhunt.com / CC BY

Perisoreus infaustus (Linnaeus 1758: Corvus infaustus). Eng. siberian jay. Ned. taigagaai.

De taigagaai is de onheil brengende. Latijn faustus: wat geluk brengt, infaustus: onheil brengend. Het is een naam die je bij uilen verwacht, zie aegolius funereus. Voor de taigagaai zijn dus verklaringen bedacht: de naam zou gegeven zijn voor de vaalbruine kleur, de klaaglijke geluiden, hun diefachtig gedrag, en zo meer. De naam suggereert echter dat er bijgeloof in het spel was. Zoals ook bij de uilen.

In Zweden, het land van Linnaeus, vond men de taigagaai nieuwsgierig en brutaal - wat men in Noord-Amerika van perisoreus canadensis vindt. In de broedtijd zijn ze schuw, daarbuiten nieuwsgierig: ze komen bekijken wie er in hun bos komt, komen naar je tent, ‘stelen’ voedsel, eten bij bosarbeiders uit de hand. De verhalen zijn legio en Linnaeus maakte het zelf ook mee. De Noord-Amerikaanse taigagaai heet er camp robber voor.

In Zweden leefde óók het idee dat je de vogel beter niet ontmoeten kon. Jagers bijvoorbeeld keerden dan naar huis terug. Uit de provincie Jämtland schrijft in 1749 Johan Hagström, een leerling van Linnaeus: ‘als een jager de rökiuxa [de roodstaart] buiten het bos ontmoet, zal hij die dag niets meer schieten (“så skal han omöjligen få skiuta något djur den dagen”), en als een reiziger deze ongeluksvogel toevallig tegenkomt, gebeurt er die dag iets ergs’ (“så händer honom något ledsamt om dagen”). Linnaeus komt zo op corvus infaustus. Van zijn leermeester Olof Rudbeck (1660-1740), waarschijnlijk de eerste die de vogel had, kent hij Zweeds olyksfogel, ongeluksvogel, en dat is zijn model, het bijgeloof de inhoud. In Nederland is het ooit nog ongeluksgaai geworden.

Bij het ontstaan van naam en bijgeloof kunnen diverse factoren een rol hebben gespeeld. Nilsson 1858 schrijft, hoewel zonder link met de naam, dat de taigagaai at van vogels die in strikken terechtkwamen, een schadepost voor wie van de vogelvangst leefde. Als tweede: ze vliegen geruisloos naar je toe, zitten ineens bij je, kijken naar je, en zijn ineens ook weer weg, alles vrij onverwacht, wat men onheilspellend kon vinden, zeker in tijden van bijgeloof. Maar misschien vooral: de taigagaai leeft in de noordelijke naaldwouden, liefst in de dichtste, oude delen ervan, waar de geheimzinnige baardmossen groeien. Zijn Zweedse naam is lavskrika: mosgaai - hij gebruikt baardmos ook in het nest, en korstmos om voedsel te verstoppen. In die donkere bosdelen kwamen de mensen niet graag, en nog steeds komen er niet veel. Het is er stil, en ook de vogel is meestal stil, maar dan vliegt hij ineens op, vaak met een schreeuw - Nilsson: “ett eget, nästan ugglelikt skrik”, ‘een vreemde, bijna uilachtige schreeuw’ (I-215). Een vogel dus om van te schrikken, in het stille bos.