Photo credit: carla kishinami via VisualHunt.com / CC BY-NC-ND

Estrilda astrild (Linnaeus 1758: Loxia astrild). Eng. common waxbill. Ned. sint-helenafazantje.

Astrild is mogelijk Oudzweeds - voor een soort die men in het Noorden nooit zag, en die men lang geleden zelfs helemáál niet kende - in 1964 in Portugal geïntroduceerd, leeft nu in vrije staat in delen van Portugal en Spanje, werd eerder wel door zeevaarders meegenomen, Buffon 1770-1783 kreeg er van Kaap de Goede Hoop.

Edwards 1751 is de eerste die hem beschrijft. Een Engelsman had er een die uit Lissabon meegebracht was. Edwards noemt hem wax bill, voor de rode snavel, rode zegellak - zijn kleurtekening tóónt die ook. In het Afrikaans van Zuid-Afrika heet hij rooibekkie - fazantje waarschijnlijk voor het rode masker rond het oog en de getrapte staart.

Linnaeus’ bron voor de vogel is Edwards, en daar staat niets wat tot astrild kon leiden. Als verklaring valt dan waarschijnlijk af: Afrikaans astrild, estrild, bij Gotch 1981 en Van Veen 1997 - die namen ook niet te vínden. Taalkundig valt waarschijnlijk ook af: ‘een Portugese naam’, verkleining van Latijn aster: ster - de naam zou er dan voor de rode snavel zijn.

Over blijft Oudzweeds àstareldr, gelijk aan huidig Zweeds kärleks-eld: ‘liefdes-vuur’. Uit àstareldr maakte de Zweedse dichter Georg Stiernhielm in 1658 een quasi-mythologische liefdesgod Astrild, een noordelijke tegenhanger van de zuidelijke Amor/Cupido. Linnaeus kénde deze Astrild waarschijnlijk - hij was populair in Zweden. Edwards zegt niets over kooitjes en het liefdesleven dat men daarin had kunnen zien. En in het verre Zweden zal het toen ook niet bekend zijn geweest.

Wanneer Linnaeus loxia astrild naar deze Astrild gaf, bedoelde hij het waarschijnlijk voor het rood aan snavel en kop, het rood van liefdes-vuur.