J. G. Keulemans. Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt.com / CC BY

Calcarius lapponicus (Linnaeus 1758: Fringilla lapponica). Eng. lapland bunting. Ned. ijsgors.

De ijsgors broedt in de noordelijke delen van Eurazië en Noord-Amerika, niet alleen in Lapland. De naam heeft te maken met de ontdekking ervan door Olof Rudbeck, leermeester van Linnaeus, op zijn grote reis door Zweeds Lapland in 1695. Hij zag hem waarschijnlijk op de bergen bij het Torneträsk, een meer ten noordwesten van huidig Kiruna. Noemt hem carduelis lapponica: laplandse putter (Linnaeus 1731). Maakt ook een kleurtekening: een volwassen mannetje zomer.

Doordat men de vogel ten zuiden van Scandinavië niet of nauwelijks kende, is in vele landen in de officiële naam het laplandse terechtgekomen. Nederland is met ijsgors een opvallende maar ook merkwaardige uitzondering: de vogel zit niet bij het ijs. Schlegel 1858 gaf de naam. In 1852 had hij voor plectrophenax nivalis, de andere van het duo ijsgors/sneeuwgors, sneeuwgors als naam, waarschijnlijk uit Duits schneeammer - voor de ijsgors inspireerde hem misschien Duits eisammer, een naam in Naumann 1824: het was er daar een voor de sneeuwgors, maar óók voor de ijsgors, en dus was hij daarvoor bruikbaar, nog los van de vraag waar de vogel precies voorkwam.

De Sami, voorheen de Lappen, benoemden naar iets heel anders. Bij Jokkmokk, in Zweeds Lapland, heet de ijsgors njalme-fat-tsitse, vrij vertaald mutsvogeltje, voor de zwarte kap in het zomerkleed (Sami tsitse: kleine vogel, de njalme-fata is een muts bij vrouwen die hoofd, hals en schouders bedekt, alleen het gezicht vrijlaat, wordt gedragen bij slecht weer).

-

Enkele andere namen voor de ijsgors (de codes zie op Home):

(U) Duits lerchenammer: leeuwerikgors, ook gebruikt voor de grauwe gors, waarbij vanwege het kleed de leeuwerik in de officiële naam zit, zie emberiza calandra (en dan is er ook nog een leeuwerikgors, emberiza impetuani, Smith 1836, naar een Zoeloe-naam). Duits lerchenammer zal een wijziging zijn van lerchenfink, wat Bechstein 1795 voor de ijsgors in winterkleed bedacht, waarschijnlijk geïnspireerd op fringilla calcarata: spoorvink, zie bij calcarius. “Ich gebe ihm den schicklichen Namen Lerchenfink, weil er nicht nur in der Farbe sondern auch durch den großen Sporn der Feldlerche so sehr gleicht, daß ihn viele beym ersten Anblick für eine Lerche halten” (p.485-486). Svensson 2010 heeft bij de ijsgors niet voor niets kleine tekeningen van een vliegende ijsgors en veldleeuwerik naast elkaar, een verschil is nauwelijks te zien.

(G) Canadees chiddick bird, een naam in Alberta. McAtee 1959, ‘Folk names of Canadian birds’, noemt het een klanknabootsing. De zang hoort men in Alberta niet (daarvoor moet men naar de noordelijker gelegen broedgebieden) en het zal dan een naam zijn voor de vluchtroep, die makkelijk als chid-dick te horen is. Snow 1998 omschrijft de “dry, slightly rattled trill” van trekkende ijsgorzen met tick-tick-tick-teu.

(V) Canadees stubble sparrow: stoppelveld-mus, idem een naam in Alberta: zoals ook enkele andere gorzen zoeken ijsgorzen in hun overwinteringsgebieden op (onder andere) stoppelvelden naar voedsel.

(?) Officieel Russisch laplandskij podorozjnik. Als gewoon woord betekent podorozjnik ‘weegbree’, maar Russisch podorozjnuj kan twéé betekenissen hebben: ‘aan de kant van de weg’ (vandaar weegbree?), en: ‘met betrekking tot de reis’, zodat er 'laplandse reiziger' zou kunnen staan. Ook podorozjnik zonder méér komt voor, was misschien de oorspronkelijke naam (‘reiziger’ dan). In Rusland is de ijsgors vooral onderweg, trekt van het diepe Zuiden naar het hoge Noorden, en weer terug.