J. J. Audubon. Photo credit: BioDivLibrary via Visual Hunt / CC BY

Plectrophenax nivalis (Linnaeus 1758: Emberiza nivalis). Eng. snow bunting. Ned. sneeuwgors.

Latijn nivalis betekende: ‘sneeuwachtig’, ‘met sneeuw bedekt’, ‘met betrekking tot sneeuw’, ook: ‘sneeuwwit’ (Latijn nix: sneeuw, tweede naamval: nivis). Bij de sneeuwgors kan van alles: hij broedt vaak bij sneeuw en ijs, arriveert in de overwinteringsgebieden als de sneeuwtijd begint, en mannetje zomer is erg wit, in de winter ook nog sterk. Het punt zit bij méér soorten, en ook bij de andere in Europa met nivalis in de naam: montifringilla nivalis, de sneeuwvink.

Een van de eerste namen voor de sneeuwgors is Duits schnee-vogel bij Martens 1675, in de Nederlandse vertaling van 1710 sneeuw-vogel. Martens ziet hem op zijn grote reis naar Spitsbergen, in 1671. Wat hij beschrijft is vrij zeker een vrouwtje 1e winter (en ook de juveniel). Ze zien de vogels bij Jan Mayen, een eiland tussen IJsland en Spitsbergen. “Sie lieffen auff dem Eise, wor ich sie alleine gesehen und nicht auff dem Lande, daher sie auch Schnee-vogel genennet werden” (p.53). Dat kon dus ook nog: op ijs vóórkomend. Misschien speelde de kleur wel méé: ‘de hele onderkant is sneeuwwit’.

De tweede naam met 'sneeuw' staat bij Rudbeck 1695, leermeester van Linnaeus (zijn kleurtekening is een mannetje winter). Hij noemt hem passer nivalis, wat waarschijnlijk zijn latinisering was van Zweeds snösparv: sneeuwmus, een naam die waarschijnlijk ouder is dan die van Martens. Rudbeck schrijft: “Passer nivalis - Sedan snösparvar, vilka ock i begynnelsen av winteren sig här neder pläga visa”, die zich aan het begin van de winter hier beneden [het zuiden van Zweden] laten zien (Gullander 1971, p.44). Als hiermee het benoemingsmotief gegeven werd, was dat: arriveren als de sneeuwtijd begint - met de mogelijke bijbetekenis dat ze deze tijd voorspellen.

Als derde is er bij Linnaeus 1746 avis nivalis: sneeuwvogel, waarschijnlijk zijn latinisering van schnee-vogel van Martens, mogelijk zonder zich te realiseren dat het benoemingsmotief bij Martens anders was.

Voor ‘wit’ pleit in al deze namen niets, tenzij als bijmotief. En de betekenis die Martens noemt, is niet blijven leven. Arriveren met de sneeuw is voor de meeste mensen waarschijnlijk ook wel de belangrijkste gedachte. De naam van Martens was mogelijk wel het begin van het naamtype ‘sneeuwvogel’.

Voor de sneeuwgors geldt nóg iets bijzonders: bij dalende of opstijgende groepjes maakt bijna iedereen een vergelijking met sneeuwvlokken. Door het vele wit op de vleugels.

Magnus 1555 heeft een tekening met een groepje dwarrelende 'objecten': misschien sneeuwvlokken, eerder misschien vogels, en dan zijn het mogelijk sneeuwgorzen. Uit de 16e eeuw is er van Isaac la Grese een kleurtekening van wat een sneeuwgors zal zijn, een winterkleed (de tekening is gepubliceerd in Olson 2007). En Aldrovandi 1600 had onder fringilla albicans, witachtige vink, mogelijk een vrouwtje winter. Maar wie hem zéker had, dat was Schwenckfeld 1603, zie bij het genus calcarius.

-

Enkele andere namen voor de sneeuwgors (de codes zie op Home):

(U) Noord-Amerikaans whitebird, een geschikte naam voor het zomerkleed, maar hij werd gegeven in het overwinteringsgebied en bij het winterkleed past hij evenzeer, vooral bij dat van het mannetje.

(U) Engels tawny bunting: taankleurige gors, een naam in Pennant 1776 voor een mannetje in het winterkleed, tawny geeft hij voor het geelbruine aan de kop. Mannetje zómerkleed noemt hij snow bunting: hij ziet in zomerkleed en winterkleed twee sóórten (en over tawny schrijft hij dan ook: ze zitten in Engeland, maar “I am unacquainted with their breeding places”, p.329, van snow weet hij die wél). Gmelin 1789 maakt van tawny bunting vervolgens emberiza mustelina, mustela: wezel (Latijn ‘color mustelinus’ is bij Pitiscus 1738: “van verwe als een wezeltje”).

(G) Lokaal Zweeds skvirra, en er is ook snöskvirra skvirra waarschijnlijk van een klanknabootsend *skvir- voor de vluchtroep, die een vibrerend trrrrrrip is.

(V) Zweeds fjällsparv: bergmus, een naam in het Zweedse Jämtland voor broeden op de fjäll, berggebied boven de boomgrens. Nederlands zeeputter, voor overwinteren aan de zeekant.

(V) Duits winterling, in Schwenckfeld 1603. Ests külmalōo: leeuwerik van de kou (lōo: leeuwerik). Noord-Amerikaans snowdrift - Pearson 1936 citeert van iemand over de sneeuwgors: het is “The only one of our winter birds that really seems a part of the winter, that seems to be born of the whirling snow, and to be happiest when storms drive thickest and coldest” (III-21). Zweeds ill-vär-fogel: slecht-weer-vogel, Quebecs oiseau de misère: vogel van het slechte weer - in hun komst uit het Noorden zag men een voorbode van de komst van slecht weer.

(V) Duits neuvogel: nieuwe, vreemde, onbekende vogel - een naam in Silezië, vermeld in Schwenckfeld 1603. Snow 1998 schrijft over het ‘zuidelijke’ voorkomen in de winter: “Numbers vary greatly from year to year, and also fluctuate over longer periods”. Dergelijke vogels ervoer men makkelijk als 'vreemde', vergelijk pestvogel bij bombycilla garrulus, en zie ook bij petronia petronia. Schwenckfeld: in de zomer zien we hem niet en waar hij het nest maakt is nog niet duidelijk (“Ubi nidum struat quando pariat, & unde volet, nondum exploratum”, p.257).

(X) Canadees ortolan, omdat men ze ving en at. Houttuyn 1763 geeft het over Pruisen, “alwaar men er in menigte vangt en naar Berlyn zendt, voor ’s Konings Tafel; want het is een smaakelyke Spyze” (p.519). In een artikel in Fróðskaparrit jaargang 2001, “The Snow Bunting (Plectrophenax nivalis) as Food in the Northern Circumpolar Region”, laat Svanberg zien dat dit vangen veel voorkwam. Vanwege het 'culinaire' noemde men overigens méér soorten ‘ortolaan’, voor de achtergrond zie bij emberiza hortulana, en fettammer aldaar.