Vrouwtje. Photo credit: Morton1905 via Visual hunt / CC BY-NC-SA

Montifringilla nivalis (Linnaeus 1766: Fringilla nivalis). Eng. snow finch. Ned. sneeuwvink.

Latijn nivalis, van Latijn nix: sneeuw, tweede naamval nivis, was ‘sneeuwachtig’, ‘met sneeuw bedekt’, ‘met betrekking tot sneeuw’ - ook: ‘sneeuwwit’. In een naam kon nivalis dus voor van alles staan, zoals ook bij de andere Europese met nivalis: plectrophenax nivalis, de sneeuwgors.

Linnaeus neemt fringilla nivalis over van Brisson 1760, die Frans pinçon de neige heeft: sneeuwvink, en niverolle: sneeuwvogel, vergelijk Provençaals nivar: sneeuwen, achtervoegsel: -erolle. In de beschrijving heeft Brisson: “infernè niveus”, ‘onderop sneeuwwit’ (III-162). Hij zegt niets over de biotoop, en gezien niveus zou nivalis dan voor de witte onderkant kunnen staan, maar ‘de neige’ in pinçon de neige suggereert ‘vogel in gebieden met sneeuw’, zoals ook niverolle dat doet - en ook nivereau, door Buffon 1796-1799 vermeld als een naam bij “montagnards du Dauphiné” (IV-67), bewoners van de Franse Alpen. Als Brisson door deze namen was geïnspireerd, valt wit af.

Waar zágen de montagnards de sneeuwvink? In de Alpen broeden ze op 2000 meter of hoger, vaak in de buurt van sneeuwvelden: nivalis dan voor het broedgebied? In de winter trekt een deel naar lager gelegen gebieden: dan voor arriveren als de eerste sneeuw valt? (in de meeste berggebieden in Europa trékt de sneeuwvink niet, daalt hooguit ietsje van de berg af - aan de westkant van de Franse Alpen trekt hij wel, korte afstanden).

Buffon lost het probleem op door te zeggen dat de Franse namen door alle drie zijn gemotiveerd: het witte, de biotoop in de zomer, en arriveren als de sneeuw valt. Cabard 1995 kiest voor de bergen in de zomer. Dat ligt misschien ook het meest voor de hand, maar de winter valt niet zomaar uit te sluiten, bovendien is er bij dit soort namen altijd de kans dat er, à la Buffon, diverse motieven een rol speelden, of later mééspeelden.

Brisson noemt niemand die de sneeuwvink éérder had, maar Gesner 1585 had hem, mannetje zomer, mét duidelijke tekening. In 1565 stuurde ene Christophorus Piperinus hem een onbekende vogel. Gesner kan hem niet goed plaatsen en nóemt hem dan zo: avis ignota, onbekende vogel. Ook vogelvangers waaraan hij de vogel laat zien, kennen hem niet. Later is hij vaak voor de sneeuwgors gehouden.