Vrouwtje. Photo credit: juan_e via VisualHunt.com / CC BY-SA

Fringilla coelebs Linnaeus 1758. Eng. chaffinch. Ned. vink.

Fringilla coelebs betekent ongehuwde vink (Latijn coelebs, caelebs: ongehuwd, vergelijk ‘celibaat’). De naam heeft te maken met de trek. In een groot deel van Europa is de vink standvogel, uit Noord en Oost echter trekt hij naar West en Zuid, maar vrouwtjes meestal verder dan mannetjes. In Zweden, het land van Linnaeus, blijven dan vooral mannetjes achter, in kleine aantallen overigens. Ze overwinteren er in het uiterste zuiden.

Men schrijft soms dat coelebs gegeven is voor de mannetjes, die ‘tijdelijk ongehuwd’ zouden zijn. Jobling 1991: volgens Linnaeus trokken alleen de vrouwtjes weg, “leaving the cocks to lead a bachelor existence”. Linnaeus schreef alleen het eerste. En bij zo’n ongelijke trek was natuurlijk een deel van beíde sexen ‘tijdelijk ongehuwd’. Er moet dus iets bijzonders aan de hand zijn (geweest).

Linnaeus bedoelde de vrouwtjes. In 1746 schrijft hij: “Faemina migrat per hyemes, mas permanet”, ‘Het vrouwtje trekt ‘s winters weg, het mannetje blijft’ (p.76). In 1749 weet hij meer: ‘eind september vertrekken de vrouwtjes in troepjes naar Nederland, maar omdat de mannetjes achterblijven, moeten de vrouwtjes elk jaar terugkeren, willen ze niet ongehuwd blijven’ - “om hon ej vill bliva ogift”, ogift: ongehuwd (Gullander 1971 p.42). In 1758 vertaalt hij ogift met coelebs. Taalkundig is o-gift: on-gegeven (vergelijk Nederlands gift), maatschappelijk was het vaak: ‘niet aan de man gebracht’. De vrouw dus. In coelebs zit een patriarchaal trekje, terechtgekomen bij de vink.

Opvallend is dat Gesner 1555 dat van die trek al schreef: “In dem Schweitzerland fliegen sie im Winter hinweg, sonderlich die Weiblein, dann mann siehet zuweilen daselbst viel Männlein ohne Weiblein” (Horst 1669, I-121). Op de hoogte van Zwitserland is het inderdaad ook zo, hoewel minder dan in Scandinavië.

-

Enkele andere namen voor de vink (de codes zie op Home):

(U) Duits rotfinck, vermeld in Gesner 1555, een naam voor het roodachtige van het mannetje.

(U) Nederlands schildvink, in Houttuyn 1763, Duits schildfink, in Bechstein 1795. Suolahti 1909 oppert als verklaring “die Buntheit des Gefieders”, van de mannetjes (p.111), vergelijk Zwitserduits schiltent bij anas clypeata. De bontheid op de vleugels zou trouwens al voldoende zijn voor zo’n naam. In Engeland is er sheld apple, wat bij Turner 1544 sheld appel was, Lockwood 1984 verbindt de naam met schildfink en verklaart hem met lokaal sheld: bont, vergelijk shelduck bij tadorna tadorna. Voor apple is nog geen verklaring gevonden.

(G) N vink, maar is ook een algeméne naam, gebruikt voor alle Vinken, de Fringillidae ('dat is een vink'); soms ook is vink een déél van een naam, van een officiële naam (goudvink enzovoort) of van een volksnaam (boekvink enzovoort). Bij de meeuwen, om maar een andere groep te noemen, is het níet zo: meeuw is een algemene naam, en is vaak ook een deel van een naam, maar er is geen sóórt die meeuw heet. De etymologie van de naam is overigens duidelijk, Lockwood 1984 schrijft bij Engels finch: “Today loosely applied to various small birds [in Engeland dus ook], it originally denoted the Chaffinch [de vink], as the etymology demonstrates: the Germanic base fink- presupposes pre-Germanic *ping-, a syllable at once suggestive of the monotonous call so typical of the Chaffinch”, zie bij fringilla (één Engelse volksnaam echter is pink, waarin wél de P zit). Lockwood verwijst naar ‘de Germaanse klankverschuiving’, waardoor het Germaans gedeeltelijk anders werd dan het Indo-Germaans. Eén verandering was die van P naar V/F (Latijn pater > Nederlands vader). ‘En *ping- bestond dan al zo’n 3000 jaar geleden’, vóór die klankverschuiving .. Waarschijnlijk door de bekéndheid van de vink werden Nederlands vink, Engels finch en Duits fink ook algeméne namen.

(G) Vlaams suskewiet, Duits würzgebier, enzovoort, namen voor de ‘vinkenslag’ in de wereld van de vinkeniers (eigen gebruiken, eigen taal). De opgewekt klinkende zang van de vink eindigt in een zwierig tjewiew, sieskewie, wietjuu - er zijn vele variaties, ook per streek. Men leerde vinken een mooie slag te ontwikkelen en elk jaar waren er zangwedstrijden, de slagvink met het beste slotakkoord won. Dat akkoord werd ook weergegeven met 'potje bier', of 'kiss me dear', de héle slag met in Limburg bijvoorbeeld ‘zeen d’r nog rieker minse as Huuskes Merie?’

(G) E chaffinch, Oudengels ceaffinc, Houttuyn 1763: “dat is Kaf-Vink”, “om dat hy ’s Winters [bij boeren op de dorsvloer] de Kost dikwils in ‘t Kaf zoekt” (p.532). Graankorrels.

(G) Nederlands boekvink: beukvink, Middelnederduits bôkvink, officieel Duits buchfink, Middelhoogduits buochvinke. De vink nestelt niet speciaal in beuken, eet wel de nootjes ervan. De Nederlandse naam werd ook wel als een alternatief voor vink gebruikt, en sommigen zouden graag zien dat het de officiële naam werd, om van het verwarrende vink af te zijn.