Photo credit: Philippe Garcelon via Visualhunt / CC BY-NC-SA

Chloris chloris (Linnaeus 1758: Loxia chloris). Eng. greenfinch. Ned. groenling.

Aristoteles had een vogel die chloris heette: zo groot als de kuifleeuwerik, het nest in een boom, vier à vijf eieren, een gelige buik - maar chloris suggereert geelgroen, en misschien dat het om de héle vogel ging. De gegevens passen goed bij de groenling. Andere mogelijke kandidaten - sijs, citroensijs, europese kanarie, fitis, spotvogel, pimpelmees, enkele gorzen, enkele kwikstaarten - zijn kleiner, nestelen niet zo hoog, en/of broeden niet of nauwelijks in Griekenland.

Chloris hoort bij Grieks chloros: geelgroen, eigenlijk: ‘de lichtgroene kleur van ontspruitend groen’. De naam betekent: ‘de geelgroene’, vergelijk Nederlands groenling. Mannetje groenling is in het zomerkleed overheersend geelgroen, in de vlucht groen en geel. Een vergelijkbare naam is Grieks chlorion, zie bij de wielewaal, oriolus oriolus.

Turner 1544, die onder grene finche de groenling heeft, ziet in chloris de sijs. Belon 1555 de geelgors. Gesner 1555 de groenling, en als Duitse namen heeft hij grünling en grünfinck. Linnaeus, zoals vaker, volgt Gesner.