Photo credit: Martha de Jong-Lantink via VisualHunt / CC BY-NC-ND

Carduelis carduelis (Linnaeus 1758: Fringilla carduelis). Eng. goldfinch. Ned. putter.

De Romeinen kenden een carduelis, distelvogel, eigenlijk: ‘van de distel’, ‘aan de distel toebehorend’. De naam is met het achtervoegsel -elis afgeleid van Latijn carduus: distel. Men heeft altijd aangenomen dat het de putter was, die vanwege de distels, en dat men ze op ‘distelhoofdjes’ zag zitten, vele namen kreeg, Nederlands distelvink, Engels thistle finch, Oudhoogduits distilfinko, in het Latijn ook cardelis en cardellus, Italiaans carduello, Frans chardonneret (chardon: distel, uit carduus). Putters eten zaden van composieten, in het bijzonder distels, ook klissen, paardebloemen - ook zaden van bepaalde bomen.

Via een kunstig samenspel van snavel en pootjes krijgen ze deze zaden te pakken. Men hield ze daardoor in kooitjes, waar ze leerden voedsel te bemachtigen dat aan draadjes opgehangen was, of water te ‘putten’, vandaar putter. De Romeinen deden dit al, Plinius beschrijft het. Von Megenberg ±1350: “er hât die art, sô er gevangen wirt und beslozzen in ainem vogelhäusel, sô zeuht er wazzer auf in ainem väzzel an ainem vadem mit seinem snabel und helt ez ze stunden mit ainem füezel unz er getrinket” (p.184).

De Grieken hadden voor de putter nog méér namen dan de Romeinen, al zijn enkele niet helemaal duidelijk, wel aster: ster, de rode gezichtsvlek van voren gezien, chrusometris: goudband, het geel op de vleugels, mooi te zien als de vogel opvliegt, poikilis: de bontgekleurde, en akanthis, maar voor deze zie bij de sijs - ook is er het genus acanthis.

Bij oude schilders was de putter ook geliefd. Vaak beeldden ze hem af in de handen van het kind Jezus. De vogel kon daarbij diverse symbolische betekenissen hebben.