Naumann 1820-1844. Photo credit: BioDivLibrary via VisualHunt.com / CC BY

Loxia pytyopsittacus Borkhausen 1793. Eng. parrot crossbill. Ned. grote kruisbek.

Het had pityo- moeten zijn, gezien Grieks pitus: pijnboom .. Het tweede lid van pytyopsittacus is Grieks psittakos: papegaai, maar in woordenboeken zou parkiet mogen staan: wat de Grieken onder psittakos leerden kennen, waren parkieten, zie ook bij psittacula, het genus van de halsbandparkiet.

Nadat Europa papegaaien had leren kennen, werd ‘papegaai’ ook gebruikt voor soorten die door kleur, snavel of gedrag iets van een papegaai hádden: kruisbek, haakbek, scharrelaar, groene specht, papegaaiduiker. Voor de gewone kruisbek, loxia curvirostra, ontstaat een in 1780 opgetekend Duits tannenpapagei: sparrenpapegaai, Tanne is spar, niet den (‘O denneboom’ zal een verkeerde vertaling zijn, men zingt het bij een spar). Waarschijnlijk door deze Duitse naam, maar op de grote kruisbek overgezet en aan de biotoop aangepast, komt Borkhausen tot pytyopsittacus: dennenpapegaai (pijnboom = dennenboom). De gewone kruisbek broedt vooral in sparrenbossen, de grote kruisbek in dennenbossen.

Bij de gewone kruisbek zal ‘papegaai’ een naam zijn geweest voor de combinatie van rode kleur, gebogen snavel, en als een papegaaitje door de bomen klauteren; Frisch 1733-1763 voegt toe: zoals ze ook in kooitjes doen; en Houttuyn 1763 heeft: hij pakt sparappels “en houdtze met de Pooten als een Pappegaay of Inkhoorn vast” (p.499). In het Noorden geeft men ‘papegaai’ eerder aan de haakbek, pinicola enucleator: uit 1762 is er daarvoor een Noors norsk papegoy, Houttuyn 1763 heeft een Zweeds swensk papegoja, Pallas 1811 een Russisch finskoi papogai. Het zijn boekennamen, maar men zag dus gelijkenissen.

Mogelijk dacht Borkhausen voor ‘papegaai’ vooral aan de enorme snavel, die zo ánders is dan bij de gewone kruisbek. Bechstein 1795 schrijft dat het de belángrijkste reden had mogen zijn. Daarover valt te twisten.

Opmerkelijk is dat Linnaeus 1758 de vogel niet had, terwijl zijn leermeester Rudbeck er omstreeks 1700 een tekening van had gemaakt én er een soort in zag. Mogelijk dacht Linnaeus dat kruisbek en grote kruisbek één waren. Of hij kon zich niet voorstellen dat er twéé vogels met zulke vreemde snavels waren.

-

Enkele andere namen voor de grote kruisbek (de codes zie op Home):

(U) Officieel Zweeds större korsnäbb: grotere kruisbek (kors-näbb is kruis-bek). De gewone kruisbek heet er mindre korsnäbb, kleinere kruisbek - voor een verschil van ‘n centimeter.

(V) Officieel Russisch klest-sosnovik, waarin klest kruisbek betekent, sosná de den is, kortom: kruisbek die in dennen huist. Voor de etymologie van klest zie bij de gewone kruisbek, loxia curvirostra.

(V) Duits welscher kreutzschnabel: vreemde kruisbek, een naam in Naumann 1824 (voor welsch zie bij petronia petronia). Rond 1824 weet men dat het een noordelijke vogel is, Naumann noemt al min of meer correct de gebieden waar hij zit - maar hij weet ook: “an manchen Orten [in Duitsland] erscheinen diese Vögel immer nur zu einer bestimmten Zeit” (p.346), zoals ze ook in andere zuidelijker landen alleen invasiegewijs voorkomen. Het ‘vreemde’ stond waarschijnlijk dáárvoor.