Mannetje. Photo credit: rejeanjdeschenes via VisualHunt.com / CC BY-NC

Pinicola enucleator (Linnaeus 1758: Loxia enucleator). Eng. pine grosbeak. Ned. haakbek.

Enucleator betekent ‘ontkerner’, ‘ontpitter’. Latijn enucleare: de kern uit iets halen, nucleus: pit, kern, vergelijk ‘nucleair’. De haakbek, vooral in dennen en sparren levend, zie pinicola, heeft een dusdanig sterke snavel dat hij de ‘appels’ van den of spar kan stukbijten - om er de zaden uit te halen, de kern. De Zweedse naam is daardoor tallbit: dennebijter. In het Sami van Lapland is er patsak-tsitse: sparappel-vogeltje. Pinicola enucleator is, vrij omschreven: vogel die in naaldbomen leeft en ervan eet.

Edwards 1750, die de eerste beschrijving geeft, weet het al: “Nature seems to have given them strong and hooked Bills, the better to enable them to provide for themselves, by pecking out the Buds of Trees and Shrubs” (p.123). Naumann 1824 heeft voor de haakbek vervolgens al diverse Duitse (boeken)namen met Haken, onder andere hakengimpel, iets eerder gaf Meyer 1815, “Kurze Beschreibung der Vögel Liv- und Esthlands”, haken-fink, ‘de bovensnavel hakenförmig de ondersnavel voorbijgaand’ (p.74). Hij refereert niet aan de ‘hooked Bills’ van Edwards. Iedereen kon bij deze vogel op ‘haakbek’ uitkomen. De gimpel in hakengimpel was de goudvink. Edwards: ik denk dat goudvink en haakbek in hetzelfde genus horen. Zoiets zal een van de Duitse schrijvers dan ook hebben gedacht.

Edwards ontving twee exemplaren van de Hudsonbaai. Hij was verrast: “It is not common to meet with Birds of so gay a Colour in Climates so far North”. Van het mannetje heeft hij een kleurtekening.

Olof Rudbeck, de éérste die de vogel had, maakte rond 1700 al een kleurtekening, van een mannetje en vrouwtje. Via Rudbeck weet Linnaeus 1758 van voorkomen in Zweden, naast Canada.

Enucleator stond bij Frisch 1733-1763. Voor de appelvink - “Kernbeißer oder Kirschfink, Enucleator, Coccothraustes, Gros bec”. Nog meer dan de haakbek is de appelvink een ‘kernbijter’, zie bij coccothraustes coccothraustes. Maar in 1746 ként Linnaeus de appelvink nog niet en hij zet coccothraustes bij de haakbek. In 1758 laat hij die naam daar vallen, zet hem bij de appelvink, loxia coccothraustes, maar herinnerde zich enucleator waarschijnlijk nog. En hij kan hem gebruiken voor wat toch óók een kernbijter is.