Photo credit: Andrej Chudy on Visualhunt.com

Coccothraustes coccothraustes (Linnaeus 1758: Loxia coccothraustes). Eng. hawfinch. Ned. appelvink.

Het van de Griekse taalgeleerde Hesychius overgeleverde woordenboek had een Grieks kokkothraustes, ‘een vogel’, zoals bij hem vaker staat. Er zit Grieks kokkos: pit van vruchten, en een afleiding bij Grieks thrauo: verbrijzelen, breken. De naam betekent daardoor: pitverbrijzelaar, kernbreker, kernbijter. Vinken kregen vaak namen voor de zaden die ze eten, zie bij carduelis cannabina, sommige kregen ook namen voor het verbrijzelen ervan. Met zijn massieve snavel, die meer dan 50 kilo druk kan geven, breekt de appelvink zaden en pitten open die geen enkele andere Europese vink open krijgt.

Het is Gesner 1555 (niet Belon 1555, zoals soms geschreven wordt) die coccothraustes tot een naam voor de appelvink maakt (Belon schreef wel: ‘de snavel is een wonder’). Gesner geeft hem de naam omdat hij weet dat de vogel met zijn snavel pitten van kersen stukbijt, om de kernen te eten (“quod rostro suo coccos et interiora grana sive ossicula cerasorum confringere soleat, ut nucleis vescatur”, p.264). Hij vroeg zich níet af, in de tekst althans niet, of die vogel van de Grieken óók de appelvink was. Pollard 1977 denkt van wel (geen uitleg). Anderen zijn voorzichtiger. ‘Een vogel’ laat aan determinatie natuurlijk niet veel toe, ‘pitverbrijzelaar’ wel iets meer, en de appelvink is in Europa in elk geval dé pitverbrijzelaar .. Als namen voor de appelvink kent Gesner Oostenrijks kirßfinck: kersvink, Duits steinbysser: steenbijter, Zwitserduits kernbeiß: kernbijter, en zo nog enkele. Waarschijnlijk doordat kokkothraustes op die namen leek, zal Gesner hebben gedacht dat die van Hesychius dan ook wel de appelvink moest zijn geweest.

-

Enkele andere namen voor de appelvink (de codes zie op Home):

(U) Frans pinson royal: koninklijke vink, genoemd in Belon 1555, zal vooral op de grootte slaan.

(U) Frans grosbec: dikbek, Belon gebruikt deze als zijn officiële naam (‘hij is beter dan pinson royal). Over de vogel zegt hij: “il a le bec moult gros pour sa corpulence”, voor zijn bouw heeft hij een erg grote snavel (p.373). Segers 1935 heeft dit zo: “Hij staat hem niet leelijk, maar de verhouding van kop tot snavel is toch een beetje schokkend”.

(G) Duits laschke, ontleend aan Tsjechisch dlask, volgens Holub 1967 een naam voor het geluid als ze met hun snavel kersenpitten stukbijten (vergelijk Tsjechisch klanknabootsend mlaskat: klappen, smakken). De appelvink is een ‘stille soort’, wordt vaak niet gezien of gehoord, maar wanneer ze op de grond vruchtpitten aanpakken, kan men op enige afstand het geknap horen. Hij heeft ook een explosieve roep, een hard ‘tsik’, maar die zou een naam met een andere klinker opgeleverd hebben.

(?) N appelvink, in 1650 appel vinck, maar met appels hééft de appelvink niets: hij eet ze niet, verkoopt ze niet, pikt ze ook niet aan (eet wel eens de pitten ervan, maar zo weinig dat het vrij zeker niet de naam gaf). Er is gedacht aan haagappels, de vruchten van de meidoorn. Nozeman 1789: “Omdat de vogel aest en zeer verslingerd is op de Haegappelen, d.i. op de vruchten en zaeden van de haegedoornboomen, kreeg hy de benaeming, eerst mogelyk, van Haegappelvink, en vervolgends by verkorting, van Appelvink”. Ervan eten kómt voor, maar niet veel (meer van de haagbeuk). Eigenhuis 2004 vervolgens denkt dat Vlaams appelvink, een naam voor dé vink, fringilla coelebs, overgenomen kan zijn, wat niet erg waarschijnlijk lijkt, maar hij interpreteert de naam als ‘appelboomvink’ en in boomgaarden zít de appelvink soms. WNT, het ‘Woordenboek der Nederlandsche Taal’, schrijft dat appel oorspronkelijk gebruikt werd voor een aantal “vleezige of ronde, min of meer gelijkvormige vruchten, en zelfs van ronde voorwerpen” (aardappel, pijnappel, granaatappel, adamsappel). Vrij vertaald krijg je dan: vruchtvink, en vergelijk dan hogerop genoemd kirßfinck: op de pitten van kersen zijn ze dol. Het bezwaar is alleen dat appel aan het begín van een woord waarschijnlijk altijd wel gewoon appel betekende .. Had Nozeman dan gelijk, ook als het niet veel voorkomt? .. Of vond men de vogel bolrond als een appel?

(?) E hawfinch, haw kon ook heg betekenen, maar daarin zie je ze niet gauw. Lockwood 1984, net als de meeste anderen, denkt aan de hawthorn, de haagdoorn/meidoorn (vergelijk hierboven): “the berry of the hawthorn [...] forms a notable part of the diet”, een aanzienlijk deel. Snow 2010 echter, in ‘Birds and Berries’: “According to Mountfort (1957), Hawfinches eat haws but they are not a chief item of their diet”, en in de door Snow onderzochte Engelse regio was het niet of nauwelijks zo. Ontstond de naam dan ergens waar men het váker zag? Of was er een of andere vergissing in het spel?