Photo credit: Maris Pukitis via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Coccothraustes coccothraustes (Linnaeus 1758: Loxia coccothraustes). Eng. hawfinch. Ned. appelvink.

Het van de Griekse taalgeleerde Hesychius overgeleverde woordenboek had kokkothraustes, ‘een vogel’, zoals bij hem vaker staat. Er zit Grieks kokkos: pit van vruchten, kern, en een afleiding bij Grieks thrauo: verbrijzelen, breken, die afleiding via -tes: ‘die zo doet’ (verbrijzelen dus). Er staat dan pitverbrijzelaar, kernbreker, ‘kernbijter’. Vinken kregen vaak namen voor de zaden die ze eten, zie bij carduelis cannabina, sommige ook voor het verbrijzelen ervan. Met zijn massieve snavel, waarmee hij meer dan 50 kilo druk kan zetten, breekt de appelvink zaden en pitten open die geen enkele andere Europese vink open krijgt.

Het is Gesner 1555, niet Belon 1555, zoals soms geschreven wordt, die coccothraustes tot een naam voor de appelvink maakt - Belon schreef wel: ‘de snavel is een wonder’. Gesner geeft hem de naam omdat hij weet dat de vogel met zijn snavel pitten van kersen stukbijt, om de kernen te eten - “quod rostro suo coccos et interiora grana sive ossicula cerasorum confringere soleat, ut nucleis vescatur” (p.264). Hij vroeg zich níet af, in de tekst althans niet, of die vogel van de Grieken óók de appelvink was. Pollard 1977 denkt van wel, geen uitleg. Anderen zijn voorzichtiger. ‘Een vogel’ laat aan determinatie natuurlijk ook niet veel toe, maar ‘pitverbrijzelaar’ wel méér, en de appelvink is in Europa dé pitverbrijzelaar.

Als namen voor de appelvink kent Gesner Oostenrijks kirßfinck: kersvink, Duits steinbysser: steenbijter, Zwitserduits kernbeiß: kernbijter, en nog enkele. Waarschijnlijk door de gelijkenis met kokkothraustes zal Gesner hebben gedacht dat die van Hesychius dan ook wel de appelvink moest zijn geweest.