Photo credit: Chris Knoch via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Pyrrhula pyrrhula (Linnaeus 1758: Loxia pyrrhula). Eng. bullfinch. Ned. goudvink.

Aristoteles had een kleine vogel die purrhoulas heette: ‘de roodachtige’ (Grieks purrhos: roodachtig, vlamkleurig, geelachtig rood). Het was een “ornis skolekophagos” (Grieks ornis: vogel, skolex: worm, phagein: eten). Een wormeneter dus (insecteneter mag waarschijnlijk ook).

Sundevall 1863 opperde de roodborst. Thompson 1936 en Arnott 2007 echter: de goudvink heet in huidig Griekenland purrhoulas, en die was het bij Aristoteles dan waarschijnlijk ook. Zijn voedsel is plantaardig, maar voor de nestjongen vangt hij ook ‘ongewervelden’.

Tegenwoordig broedt de goudvink alleen in het noorden van Griekenland. Tenzij hij ooit zuidelijker broedde, wat niet onmogelijk is, moeten naam en informatie uit het noorden Aristoteles ter ore gekomen zijn. Hij kwam er vandaan, dat was het misschien. Of hij hoorde het toen hij, enige jaren uit Athene weg, in het noorden van Griekenland Alexander de Grote opleidde, en ‘opvoedde’, in de buurt van huidig Naoussa, ten westen van Thessaloniki. Maar twijfel blijft mogelijk, door voedsel en voorkomen.

Gaza 1476 vertaalt purrhoulas met rubicilla: roodstaart, vergelijk bij erithacus andere vertalingen van hem. Misschien dacht hij dat de purrhoulas de gekraagde roodstaart was, phoenicurus phoenicurus. Later staat bij Buffon 1770-1783: de purrhoulas moet een roodstaart zijn gewéést, gezien het voedsel. Zo dachten er meer. Maar Turner 1544 had al een stellige identificatie: ‘purrhoulas en rubicilla zijn de goudvink’. Hij kende goudvink, roodborst en gekraagde roodstaart goed. Legt zijn keuze als volgt uit: ‘de afleiding van purrhoulas volgend [“Ego nominis etymologiam secutus”] denk ik dat het de goudvink was, want ik ken geen andere vogel waarbij de borst zo rood is’. Dat etymologische was vreemd, want rubecula, zie bij de roodborst, erithacus rubecula, betekende net als purrhoulas ‘de roodachtige’, Turner had er dus net zo stellig de roodborst van kunnen maken.

De interpretatie ‘goudvink’ wordt door Gesner 1555 overgenomen, waarna ze via Willughby en Ray bij Linnaeus terechtkomt. Misschien wás het bij de Grieken ook wel de goudvink, aangezien ze voor roodborst en gekraagde roodstaart ándere namen hadden, maar ook deze redenering is niet sluitend genoeg, omdat er dan nog wel wat ‘roodborsten’ overblijven, en een vogel kon meer dan één naam hebben, die roodborst of gekraagde roodstaart bijvoorbeeld.

-

Enkele andere namen voor de goudvink (de codes zie op Home):

(U) Vlaams roodvink, en in Gesner 1555 Duits rotvogel. Vlaams bloedvink, en opgetekend in Turner 1544 Duits blödtfinck. In Tsjechië is er de uitdrukking ‘mít hejla na nose’, een goudvink op de neus hebben: van de winterse kou een rode neus hebben (Tsjechisch hejl, hýl: goudvink, officieel Pools gil, de etymologie is onduidelijk).

(U) Duits dompfaff: dompriester. Het compacte en ‘welvarende’, samen met het rode en de zwarte kap, deden denken aan een Domherr: de domheer of kanunnik, met gelijk ook de negatieve connotatie die daarbij vaak hoorde: het beeld van ‘de volgevreten priester’. Op christelijke afbeeldingen was de goudvink vaak “ein gottesnaher Vogel” (zoals ook sommige andere vogels: bij het kruis hadden ze Christus geholpen en was bloed op ze terechtgekomen), maar over priesters dacht men vaak negatief: voor ‘het gewone volk’ predikten ze matigheid, zelf namen ze het ervan (Kämper 2009: ‘Tierboten’). Kanunnik heeft gewestelijk als betekenis: ‘welgedaan of kort en dik persoon’ (Van Dale).

(U) E bullfinch, in Turner 1544 bulfinche. Lockwood 1984 vermoedt een oudere naam bull: stier, zoals de Fransen voor de goudvink bœuf hebben: os, rund - daarnaast bouvreuil, ‘waarschijnlijk een samentrekking van *bouvereuil, uit bœuf en -euil, de naam schertsend bedoeld, voor het gedrongene’ (Imbs 1971-1994, ‘Trésor de la Langue Française’).

(G) Officieel Lets svilpis, Frans sifleur, in Belon 1555, Zwitserduits gügger, in Gesner 1555. Alle drie betekenen fluiter, zijn wellicht namen voor de fluitende roep, een weemoedig djuu, maar men léérde ze ook fluiten, Birkhead 2008 heeft het over “het bijna legendarische vermogen van goudvinken om elk wijsje dat mensen hun voorfluiten, na te doen” (p.245), en in de Nederlandse vertaling van 'de Brehm' staat: “Dikwijls leert hij de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men gaarne lang achtereen naar hem luistert”.

(X) N goudvink, maar de Engelsen hebben hun goldfinch voor de putter, carduelis carduelis, en terecht: bij de goudvink past de naam niet. Gesner 1555 schrijft dat volgens Eber en Peucer 1549 de aurivittis (de chrusometris van de Grieken: goudband, een naam voor het ‘goud’ op de vleugels van de putter) de goudvink was, en ze hadden er, naast goldtfinck, ook thumpfaff en gumpel bij neergezet, de laatste twee bestaande Duitse namen voor de goudvink. Daar begon het misverstand .. En Nederland kwam met een verkeerde naam te zitten ..

(?) Officieel Duits gimpel, in de 15e eeuw gümpel. Het is een naam die vaak verbonden is met Middelhoogduits gumpen: springen, huppelen. Kluge 1967: hij “zielt auf die ungeschickten Sprünge des Vogels auf flachem Boden”. Maar niemand legt het uit, bovendien: hij hipt gewoon, zoals ook de mus (maar ‘hipper’ zal niet de betekenis zijn: vele soorten hippen). Later gaat Gimpel ‘sukkel’ betekenen, omdat men de vogels makkelijk ving, volgens Bechstein 1795 p.268 dachten sommigen zelfs dat gimpel sukkel betékende (geen uitleg), anderen legden de naam uit met Gimpel: sluier, “weil der schwarze Fleck auf dem Kopf wie einen Schleyer aussieht” (Middelhoogduits Gimpel: punt van een hoofddoek). Wember 2007 vermoedt dat er Middelhoogduits Gimpel zit: penis, minnespel, en gimpel is dan: “einer, der sich gegenüber Frauen auffällig macht”, door zijn kleed. Desfayes 1998 zet gimpel bij een groep woorden die ‘bolrond’ als betekenis hebben, en dan was het een naam voor het gedrongene.