Photo credit: Chris Knoch via Visualhunt / CC BY-NC-ND

Pyrrhula pyrrhula (Linnaeus 1758: Loxia pyrrhula). Eng. bullfinch. Ned. goudvink.

Aristoteles had een kleine vogel die purrhoulas heette: ‘de roodachtige’ (Grieks purrhos: roodachtig, vlamkleurig, geelachtig rood). Het was een “ornis skolekophagos” (Grieks ornis: vogel, skolex: worm, phagein: eten). Een wormeneter dus (insecteneter mag waarschijnlijk ook).

De goudvink? Tegenwoordig broedt deze alleen in het nóórden van Griekenland. Tenzij hij ooit zuidelijker zat, wat niet onmogelijk is, moeten naam en informatie Aristoteles uit het Noorden ter ore gekomen zijn. Hij kwam er vandaan, dat was het misschien. Of hij hoorde het toen hij enige jaren uit Athene weg was, in het noorden van Griekenland Alexander de Grote opleidde, en ‘opvoedde’, in de buurt van huidig Naoussa, ten westen van Thessaloniki. Maar twijfel blijft mogelijk, door voorkomen en voedsel (zijn voedsel is plantaardig, anderzijds: voor de nestjongen vangt hij ook ongewervelden).

Gaza 1476 vertaalt purrhoulas met rubicilla: roodstaart, vergelijk bij erithacus andere vertalingen van hem. Misschien dacht hij dat de purrhoulas de gekraagde roodstaart was, phoenicurus phoenicurus. Later staat bij Buffon 1770-1783: de purrhoulas moet een roodstaart zijn geweest, gezien het voedsel. Zo dachten er meer. Maar Turner 1544 had al: ‘purrhoulas en rubicilla zijn de goudvink’. Hij kende goudvink, roodborst en gekraagde roodstaart goed. Legt zijn keuze ook uit: ‘de afleiding van purrhoulas volgend [“Ego nominis etymologiam secutus”] denk ik dat het de goudvink was, want ik ken geen andere vogel waarbij de borst zo rood is’. Dat etymologische was vreemd, want rubecula, zie bij de roodborst, erithacus rubecula, betekende net als purrhoulas ‘de roodachtige’, Turner had er dus net zo stellig de roodborst van kunnen maken.

De interpretatie ‘goudvink’ wordt overgenomen door Gesner 1555, waarna ze via Willughby en Ray bij Linnaeus terechtkomt. Misschien wás het bij de Grieken ook de goudvink, aangezien ze voor roodborst en gekraagde roodstaart ándere namen hadden (maar de redenering is niet sluitend, omdat er dan nog wel wat ‘roodborsten’ overblijven, en een vogel kon meer dan één naam hebben). In 1863 opperde Sundevall de roodborst. Misschien geeft de doorslag wat Thompson 1936 en Arnott 2007 schrijven: de huidige Griekse naam voor de goudvink is purrhoulas.

-

Enkele andere namen voor de goudvink (de codes zie op Home):

(U) Vlaams roodvink, en in Gesner 1555 Duits rotvogel. Vlaams bloedvink, en in Turner 1544 Duits blödtfinck. In Tsjechië is er de uitdrukking ‘mít hejla na nose’, een goudvink op de neus hebben: van de winterse kou een rode neus hebben (Tsjechisch hejl en Pools gil zijn de goudvink, de etymologie is onduidelijk).

(U) Duits dompfaff: dompriester. Het compacte en ‘welvarende’, samen met het rode en de zwarte kap, deden denken aan een Domherr: de domheer of kanunnik, met gelijk ook de negatieve connotatie die daarbij vaak hoorde: het beeld van ‘de volgevreten priester’. Op christelijke afbeeldingen was de goudvink vaak “ein gottesnaher Vogel” (zoals ook sommige andere vogels: bij het kruis hadden ze Christus geholpen en was bloed op ze terechtgekomen), maar over priesters dacht men vaak negatief: voor ‘het gewone volk’ predikten ze matigheid, zelf namen ze het ervan (Kämper 2009: ‘Tierboten’). Kanunnik heeft gewestelijk als betekenis: ‘welgedaan of kort en dik persoon’ (Van Dale).

(U) E bullfinch, in Turner 1544 bulfinche. Lockwood 1984 vermoedt een ouder bull: stier, zoals de Fransen bœuf hebben: os, rund, daarnaast bouvreuil, waarschijnlijk een samentrekking van een uit bœuf en -euil gevormd *bouvereuil, schertsend bedoeld, voor het gedrongene.

(G) Officieel Lets svilpis, in Belon 1555 Frans sifleur, in Gesner 1555 Zwitserduits gügger. Alle drie zijn 'fluiter', misschien bedoeld voor het weemoedige djuu, maar men léérde ze ook fluiten, Birkhead 2008 heeft het over: “het bijna legendarische vermogen van goudvinken om elk wijsje dat mensen hun voorfluiten, na te doen” (p.245), en in de Nederlandse vertaling van 'de Brehm' staat: “Dikwijls leert hij de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men gaarne lang achtereen naar hem luistert”.

(X) N goudvink, maar de Engelsen hebben goldfinch voor de putter, carduelis carduelis, en daar hoort de naam, bij de goudvink past hij niet. Gesner 1555 schrijft dat volgens Eber en Peucer 1549 de aurivittis (de chrusometris van de Grieken, een naam voor de putter) de goldtfinck was, waarmee ze de goudvink bedoelden, want ze hadden er Duits thumpfaff en gumpel bij. Latijn aurivittis betekende, net als Grieks chrusometris, goudband, het waren namen voor het 'goud' op de vleugels van de putter. De Engelsen heeft het foutje van Eber en Peucer niet bereikt. In Nederland stond het nog goed bij Junius 1567, ‘Nomenclator’: bij aurivittis heeft hij goudtvincke. Bij Kiliaan 1599, ‘Etymologicum’, staat dit ook, maar hij eindigt met: “pectore maxime rubens”, ‘de borst is erg rood’. Het is de goudvink geworden. Waarschijnlijk volgde hij Gesner.

(?) Officieel Duits gimpel, in de 15e eeuw gümpel. De naam is vaak verbonden met Middelhoogduits gumpen: springen, huppelen. Kluge 1967: hij “zielt auf die ungeschickten Sprünge des Vogels auf flachem Boden”. Niemand legt het uit, bovendien: hij hipt gewoon, zoals ook de mus (maar ‘hipper’ zal niet de betekenis zijn: vele soorten hippen). Later wordt Gimpel ‘sukkel’, omdat men de vogels makkelijk ving, Bechstein 1795: sommigen dachten zelfs dat gimpel sukkel betékende, anderen legden de naam uit met Gimpel: sluier, “weil der schwarze Fleck auf dem Kopf wie einen Schleyer aussieht” (Middelhoogduits Gimpel: punt van een hoofddoek). Wember 2007 vermoedt dat er Middelhoogduits Gimpel zit: penis, minnespel, en gimpel is dan: “einer, der sich gegenüber Frauen auffällig macht”, door zijn kleed. Desfayes 1998 zet gimpel bij een groep woorden die ‘bolrond’ als betekenis hebben, en dan was het een naam voor het gedrongene.