Photo credit: Andrej Chudy via VisualHunt.com / CC BY

Emberiza hortulana Linnaeus 1758. Eng. ortolan bunting. Ned. ortolaan.

Hortulana is een door Gesner 1555 overgenomen Italiaanse naam (‘bij Bologna hortulana’), maar het Italiaans kent nauwelijks woorden met een begin-H en het zal dan ortolano zijn geweest, wat Gesner dan tot hortulana latiniseerde. Ook beschrijving en tekening heeft hij uit Italië, van Aldrovandi, die láter, in 1600, hortulanus heeft, geen Italiaanse volksnamen. De Italianen Olina (1622) en Savi (1829) hebben als enige vorm Italiaans ortolano. Zo was het dan, blijkbaar.

De naam is gelijk aan Italiaans ortolano: tuinman (Italiaans orto: tuin, uit Latijn hortus: tuin). Het probleem: de ortolaan is geen vogel van tuinen. Lockwood 1984 veronderstelt dat de naam dan de verbastering van een oudere is, maar suggereert er geen. Eigenhuis 2004 oppert een verbastering uit *orzolano (Italiaans orzo: gerst). Ortolanen werden vetgemest met graan, en vaak verhandeld (zie ook bij fettammer verderop, bij emberiza en carduelis cannabina, en vergelijk Latijn miliaria: gierstvogel, wat bij de Romeinen waarschijnlijk vooral de ortolaan was, die ze vetmestten, milium is gierst). Onmogelijk is zo’n verbastering niet, al geven Italiaanse etymologen zoiets niet. Als het wél klopt, kan de naam ook zijn ontstaan doordat de ortolaan onder andere “ne’ campi d’Orzo” broedt, ‘in gerstvelden’ (Savi p.88), hoewel men dat vetmesten zélf deed en waarschijnlijk leidde dat éérder tot een naam. Maar de vraag is of verbastering wel moet worden verondersteld.

Schrijvers van woordenboeken, over het algemeen geen vogelkundigen, nemen de naam vaak letterlijk: ‘zoekt zijn voedsel gaarne in tuinen’, ‘so named because it frequents gardens’. Wél broedt de ortolaan soms in wijngaarden en boomgaarden, en zo kan de naam zijn ontstaan, uitgaand van een breed opgevat ‘tuin’ (een ‘moestuin’ kon ook groot zijn). Of het is wat Nozeman 1789 schreef, waarschijnlijk op grond van informatie uit Brabant: “Zy bouwen hunne nesten, gemeenlyk, kort by den grond, tegen de aftuiningen, en tusschen de benedenste takjens der heggen”. Vergelijk Bechstein 1795: “Er liebt das Gebüsche und die Hecken, und hält sich daher in Weinbergen, Gärten, die ans Gehölze stoßen, in Feldhölzern und lebendigen Vorhölzern auf” (p.319-320). Vincelot 1867 voegt voor Italië nog toe dat wijngaarden daar soms ‘de dependance van de tuin’ waren; in de Italiaanse renaissance waren tuinen vaak groot, en mogelijk broedden ze dan wel eens in uithoeken ervan. Kortom: misschien was de ortolaan toch een vogel van tuinen, toen.

-

Enkele andere namen voor de ortolaan (de codes zie op Home):

(U) Brabants rode schrijver, terwijl voor de geelgors, emberiza citrinella, Brabants gele schrijver opgetekend is (voor schrijver zelf zie Spaans escribano bij emberiza). Catalaans verdola, waarin groen zit (verd), het is een naam voor het groenachtige van kop, hals en borst.

(G) Lokaal Frans pialoupru en lokaal Italiaans liabrù en tirabüs. Volgens Desfayes 1998 zijn het klanknabootsingen. In de zang is een wat melancholiek sruu-druu het belangrijkste element en daarbij passen de namen. Desfayes geeft ook een lokaal Frans grain-grain-grain l'è mû: le grain est mûr, het graan is rijp. Een verklanking via een versje, geen echte naam.

(V) Brabants korenschrijver, een naam voor het broeden langs graanvelden, wat in Nederland ooit een min of meer normaal verschijnsel was (Segers 1948: “Het nestje staat meestal in roggevelden”). Duits feldammer: veldgors, een naam die de bredere biotoop weerspiegelt: kleinschalig akkerland (velden, met een rijke afwisseling). Frans bruant des vignes: wijngaardgors, lokaal zijn er ook vignerot en variaties daarop.

(V) Duits sommerammer: zomergors, omdat de ortolaan geen standvogel is.

(X) Duits fettammer: vetgors, ook voor enkele andere gorzen gebruikt maar vooral voor de ortolaan. Voor het vetmesten zie hogerop. In Frankrijk was de ortolaan een “délice des gourmets”, fijnproeversgenot. De Brevans schrijft in ‘La migration des oiseaux’ van 1878: mijn Antwerpse correspondent schreef mij “que l’ortolan existe en Hollande, qu’on l’y chasse et qu’on l’y engraisse comme en Languedoc, pour l’exporter ensuite dans le Nord, en Angleterre et même à Paris” (dat men ze in Nederland vetmest en exporteert). In de Provence was er graisset, voor de ortolaan maar ook voor diverse andere zangvogels, bij sommige overigens omdat ze zich in de herfst zélf vetmestten, om de trek aan te kunnen. Men ving ze dan graag, om gastronomische redenen.