Photo credit: Philippe Garcelon on Foter.com / CC BY-NC-SA

Prunella collaris (Scopoli 1769: Sturnus collaris). Eng. alpine accentor. Ned. alpenheggemus.

Latijn collaris betekent: ‘met betrekking tot de hals’ (Latijn collum: hals). Het kon natuurlijk van alles zijn. Gotch 1981: het gaat om de “grey collar which shows against the background of brown” (p.253). Maar de alpenheggemus hééft geen opvallende collar, halsband. Collaris is wel gebruíkt bij vogels met een hele of een halve halsband: steenloper, beflijster, wilgengors, withalsvliegenvanger. De naamgevers interpreteerden collaris als: ‘van een halsband voorzien’. Een andere interpretatie was: ‘met iets opvallends aan de hals’.

Scopoli heeft het niet over een grijze halsband. Hij schrijft wel: “Gula alba fusco maculata”, ‘de keel wit en donker gevlekt’ (I-131). Dát was het opvallende, vooral in de herfst goed te zien, zeker van dichtbij. Om verwarring te voorkomen had hij sturnus gularis kunnen geven: ‘met betrekking tot de keel’. Er is voor deze vogel wel eens fringilla gularis gebruikt.

Gesner 1585 is de eerste die hem heeft (Springer 2009). Uit diezelfde 16e eeuw is ook de eerste kleurtekening, bij de Franse tekenaar Pierre Vase (gepubliceerd in Olson 2007). Buffon 1770-1783 denkt dat híj de eerste is. ‘Hoewel de vogel in de Alpen leeft, schreef nog niemand erover’. Hij begint zijn beschrijving met de keel, noemt ook al geen grijze halsband: “Il a la gorge (de keel) fond blanc, tacheté de deux teintes différentes de brun”, ongeveer wat Scopoli later schrijft. Buffon noemt hem fauvette des alpes. En terwijl eerdere schrijvers hem nog in sturnus of fringilla hebben, plaatst Buffon hem na de heggemus.

-

Enkele andere namen voor de alpenheggemus (de codes zie op Home):

(G) Zwitserduits trittli, volgens Suolahti 1909 voor het ‘vibrerende fluiten’. De naam past bij de zang, maar Snow 1998 geeft ook ‘tritritri’ voor een roep.

(G) Zwitserduits blümtvogel: bloemvogel, ook blumtüteli, enzovoort - J. R. Steinmüller schrijft in ‘Alpina’, volume I, 1806: als ze in de winter van de bergen afdalen en bij de mensen komen, “suchen sie sogleich die Heuscheunen und Ställe auf, und nähren sich daselbst beynahe einzig vom Heublümt [hooizaad], welches der Staub und die kleinen Sämchen sind, die vom Heu, das dem Vieh vorgelegt wird, abfällt” (p.234). Voor die zaadjes (Sämchen) vergelijk Frans gratte-paille bij prunella modularis.

(G) Officieel Italiaans sordone, sordo: doof. Cabard 1995: want weinig schuw (is dat inderdaad minder dan de heggemus, Delamarre 1923: “Oiseau très confiant, qui se laisse approcher”, vaak ook te zien op een rots: ‘piccola sentinella alpina’). Italiaanse bronnen echter: “forse per il suono smorzato”, ‘misschien voor het gedempte geluid’ (sordo is ook: gedempt, van tonen). Eén roep is ‘klein’, en Svensson 2010 noemt de roep bij het opvliegen ‘gedempt’, een andere ‘gesmoord’. Anderzijds: de zang is stevig .. Genoemde Steinmüller: in strénge winters, aangekomen bij schuren en stallen, zijn ze “durch Hunger und Kälte so kirre gemacht”, zo tam geworden, dat men ze makkelijk vangt (p.232). Misschien is dat dan toch de uitleg. En dan is het: de dove, niet: de gedempte .. Voor sordone zie ook la sourde bij lymnocryptes, waar als benoemingsmotief iets vergelijkbaars zit.

(V) E alpine accentor, een van vele boekennamen waarin de Alpen, de meeste waarschijnlijk door de naam van Buffon hogerop - volksnamen zijn Frans montagnard: bergbewoner, Beiers jochli-sper: bergmus (Joch: bergpas, sper = sperling: mus), Zwitserduits flüelerche: rotsleeuwerik, in Bechstein 1795 (Duits fluh, flühe: rots, rotswand, ook Zwitserduits - en zit als fluh of flue in veel Zwitserse bergnamen). Met ‘Engels’ accentor weet men in boeken vaak niet goed raad. Bechstein 1797 gaf hem, maar als genus voor de waterspreeuw, die hij teveel vond afwijken van de spreeuwen. “Ich bilde daher eine eigne Gattung” (‘Getreue Abbildungen Naturhistorischer Gegenstaende”, II-47). Bij Isidorus circa 560-636 zag hij mogelijk het wóórd accentor: ‘die met een ander samenzingt’, samenzanger, koorzanger zo men wil (Latijn ad + cantor) (vergelijk het woord accent). Hij vindt hem passen, ‘omdat de waterspreeuw goed zingt’, bedoelt dus zanger, dat ‘samen’ noemt hij niet. Borkhausen 1798: waarom geef je niet cinclus als genus (wat híj gaf, zie cinclus). Mogelijk daarom zet Bechstein 1800 de naam bij de alpenheggemus, in accentor alpinus. Hier geen uitleg, wel: “Ihr Gesang ist angenehm” (‘Naturgeschichte der Stubenthiere. Vögel’, p.522). Hij heeft accentor níet voor de heggemus, zoals men soms schrijft. In Engeland noemde men die wel hedge accentor, maar alleen alpine accentor bleef (én er is Accentors, de Engelse naam voor de familie, de Prunellidae).