Photo credit: Mike Hazzledine -- British Biodiversity via VisualHunt / CC BY-NC-ND

Passer domesticus (Linnaeus 1758: Fringilla domestica). Eng. house sparrow. Ned. huismus.

Passer domesticus is gelijk aan huismus. Latijn domus: huis, domesticus: van het huis. Zo kénden we de vogel, als een die bij óns kwam. Hij volgde ons bij het openleggen van Europa, zit op ons dak, nestelt bij ons, eet ons graan - steelt het, zei de boer. Domesticus is in de ornithologie ook wel gebruikt voor de boerenzwaluw, zie hirundo rustica, én voor gedomesticeerde vogels (tamme eend, tamme gans, tamme duif - en de kip), maar van de wilde vogels is de huismus dé domesticus.

Hij kreeg er ook grote aantallen volksnamen voor. Een deel daarvan begint met huis-, maar er zijn in Nederland ook dakmus, straatmus, graanmus. Een ander deel is opvallend kort: alleen al in Limburg zijn er voor de huismus kets, flots, moets, sjroep, kluts, jiets, tjefke, keggel, guutsj, joerts. Verder zijn er namen als Duits spucki, Twents reeuwteeuw, Westfaals boggelskopp. Het duidt op vertrouwdheid met de soort.

Bij Gesner 1555 en ook anderen is het gewoon passer, zoals men in andere talen kon volstaan met spatz, moineau, vrabec, sparrow, mus - gaat terug op Latijn musca: vlieg, is zoiets als kleintje - de etymologie van de korte en dan vaak ook oude namen is overigens nogal eens lastig. In de tekst heeft Gesner ook passer domesticus, maar nog nauwelijks als naam. Wel heeft hij Duits hußspar: huismus, en passer domesticus zal daarop zijn gebaseerd. Belon 1555 heeft moineau de ville, wat nú stadsmus betekent, maar ville, uit Latijn villa: boerderij, stond in de Middeleeuwen voor dorp, de naam daardoor: dorpsmus. Maar het naamtype is niet zo oud dat het er al bij de Romeinen was. Zij hadden genoeg aan passer.