Photo credit: Rainbirder via VisualHunt / CC BY-NC-SA

Anas querquedula Linnaeus 1758. Eng. garganey. Ned. zomertaling.

De Romeinse schrijver Varro had voor een watervogel, mogelijk een eend, querquedula. Alleen dat. Wellicht was het een taling, gezien het uit querquedula voortgekomen cerceta (Spaans), sarcelle (Frans), namen voor de twee talingen. Bij Frederik II ±1246 stond de variant circelle, mogelijk voor de zomertaling, omdat hij op dezelfde pagina Xiii een kleurtekening van het adulte mannetje daarvan heeft (in de ornithologie de eerste afbeelding ervan).

André 1967 denkt dat de Latijnse naam, en de diverse variaties daarop, teruggaan op een vorm *cerceta, spreek uit: kerketa. Een verkleinvorm daarvan, cercetula, veranderde onder invloed van Latijn quercus (eik) in querquetula, daarna onder invloed van Latijn edere (eten) in querquedula, en zo kon men denken dat er eikel-eter stond .. Aan *cerceta vooráf ging mogelijk *ker-ker-ta, wat later *ker-ke-ta werd. André denkt dat het een klanknabootsing was, voor zomer- én wintertaling. Hij vermeldt ook Grieks kerkeris (Arnott 2007: mogelijk de wintertaling) en Grieks kerkithalis (de blauwe reiger?). Alle uit een klanknabootsende wortel *kr-, vergelijk namen bij circus en bij egretta garzetta (bij veel soorten zitten namen met klanknabootsend ‘kr’). Bij de eenden kan het overigens ook breder: ker-ker past bij de roep van diverse vrouwtjes, bij Rome dan tafeleend, wilde eend, wintertaling. Maar heel goed past het beroemde ‘rateltje’ van mannetje zomertaling, een droog kèrreb-kèrreb, alsof men met een stukje hout over de tanden van een kam gaat. En querquedula is dan misschien wel terechtgekomen bij de soort waarvoor de naam ooit gegeven was. Al was er nog een klein toeval voor nodig:

Lang wordt querquedula als een algemene naam gebruikt, voor kleine eenden. Door Aldrovandi 1603 komt hij bij de zomertaling terecht. Hij beschrijft wat Gesner 1555 en Belon 1555 hadden (de wintertaling, hoewel Gesner ook vrouwtje of mannetje zomertaling), zegt daarna: “Ego plures Querquedularum species observavi, quae tamen ab aucupibus nostris communi nomine Anadrini, id est, Anaticulae”, ík heb méér soorten querquedula gezien, al noemen onze Italiaanse vogelvangers ze Anadrini, Eendjes (p.208). Als eerste soort beschrijft hij de zomertaling en noemt deze querquedula prima. En door dat ‘eerste’ maakt Linnaeus er zijn naam van.

-

Enkele andere namen voor de zomertaling (de codes zie op Home):

(U) Querquedula scapularis, in Brehm 1831, een naam voor de opvallende schouderveren (Latijn scapulae: de schouders). Nederlands star-eend, in Nozeman 1789, omdat je in het patroon van die veren een ster kon zien. En Zwitserduits krüzele dan omdat je er een kruis in kon zien? Maar de naam is ook wel verbonden met Duits dialect krotz: 'iets kleins, vergroeid klein kind', talingen zijn klein. Desfayes 1998 denkt aan nog iets heel anders: een klanknaam, vergelijk de klanknabootsende wortel *kr- hogerop.

(G) Voor het droge rateltje van hogerop kreeg hij heel wat namen, naast misschien querquedula. Zo zijn er Duits kernel, uit 1554 (vergelijk Middelhoogduits kërren: een schril geluid voortbrengen), Russisch tsjirok-treskoenok, treskoenok gevormd bij Russisch tresk: gekraak (voor tsjirok zie bij anas crecca), Duits schnärrente: rateleend, en misschien ook Italiaans carrucola, wat als gewoon woord takel betekent, en Spaans carretón, wat ook kar betekent - en misschien ook garganey:

(G) E garganey, een naam uit Noord-Italië die Willughby 1676 aan de zomertaling gaf, en zo werd het (ook) een Engelse naam. Belon 1555 heeft garganey voor de wintertaling, Gesner 1555 heeft hem voor de grote zaagbek, maar de eveneens in Noord-Italië voorkomende verkleining ervan, garganello, voor wintertaling en nonnetje. De naam is ook opgegeven voor de zomertaling en hoort bij een reeks klanknabootsende woorden op garg-, gerg-, gorg-, gurg-. Het past goed bij het rateltje van de zomertaling, slechter bij het kriek van de wintertaling.

(V) N zomertaling. De vogel is alleen in de zomer bij ons, de wintertaling het hele jaar (maar veel wel in de winter). In het begin was er verwarring: Engels summer teal, een naam bij Willughby en Ray, was om onduidelijke redenen de wintertaling, althans: was anas circia, een moeilijk te bepalen taling bij Gesner, maar bij Willughby en Ray de wintertaling (alleen voegden ze hem niet samen met hun ‘echte’ wintertaling, de teal). Rond 1800 ontstaat het huidige patroon, noemt men de zomertaling summer teal.