Bucephala albeola. Photo credit: Becky Matsubara via Visualhunt / CC BY-NC

Bucephala Baird 1858

Boukephalos, het beroemde paard van Alexander de Grote, is in zekere zin ook nog in de vogelnamen terechtgekomen. Grieks bou-kephalos was een algemene aanduiding, betekende ‘met een runderkop,’ een grote kop (bous: rund, kephale: kop). De latinisering bucephala kan met dikkop worden vertaald.

Baird geeft het genus voor drie eenden van Noord-Amerika. De huidige namen: bucephala albeola, zijn ‘type’ in het genus, bucephala islandica en bucephala clangula, deze twee ook in Europa (de laatste: de brilduiker). De drie hebben achtereenvolgens een bolle, een ovaalvormige, en een driehoekige kop, alle drie eruitziend als een dop op een te korte hals. Ze kregen er ook volksnamen voor, de brilduiker bijvoorbeeld Fries knobbe, knobbel, en Zweeds knip-okse, waarin knipa, brilduiker en okse, os.

Linnaeus 1758 had de ‘bolle’ drie keer: het vrouwtje als anas rustica, het mannetje als anas albeola en als anas bucephala. Uit de laatste haalt Baird zijn genusnaam. Ten grondslag aan anas bucephala lag buffel’s head duck, een naam bij Catesby 1731-1743, die de vogel leert kennen onder Noord-Amerikaans buffel’s head, “that animal’s head [de buffel] appearing very big by its being covered with very thick long hair” (Feduccia 1985 p.56). In Noord-Amerika heet de bolle nu bufflehead. In Nederland buffelkopeend. Houttuyn 1763 gaf er dik-kop voor.