Photo credit: Feggy Art on Foter.com / CC BY-NC-ND

Erithacus rubecula (Linnaeus 1758: Motacilla rubecula). Eng. robin. Ned. roodborst.

Grieks erithakos, een naam bij Aristoteles, waarschijnlijk voor de roodborst, wordt door Gaza 1476 vertaald met Latijn rubecula, en de door Aristoteles ermee verbonden naam phoinikouros met ruticilla. De twee laatste betekenen: roodstaart. Voor het hele complex zie bij erithacus.

In erithakos zit geen ‘rood’, maar Gaza dacht dat blijkbaar, Coomans 1947 schrijft: hij zal gedacht hebben aan Grieks eruthros: rood, want in rubecula zit Latijn ruber: rood. Daarnaast, mag je aannemen, zal phoinikouros Gaza ook wel op het spoor van ‘rood’ hebben gezet (naast de roodborst zelf, als hij hem kende). Vaak wordt rubecula vertaald met 'roodje', kleine rode. Beter lijkt ‘de roodachtige’: als een samenstelling van ruber en verkleinend -culus past rubecula het best bij de verkleinvormen rubellus, roodachtig, en *rubiculus/*rubeolus, alle zijn bijvoeglijke naamwoorden. Het vróuwelijke van rubecula ontstond misschien doordat Gaza aan avis rubecula dacht (avis, vogel, is vrouwelijk).

Rubecula past natuurlijk bij de oranjerode ‘voorkant’ van de roodborst, een voorkant die op vogeltekeningen regelmatig te rood wordt afgebeeld. Daarnaast heeft rubecula een parallel in enkele van de oudste Germaanse namen voor de soort, bijvoorbeeld Oudhoogduits rotil: roodje. Bij Gesner 1555 staan vervolgens Duits rötele, rotbrüstle en rotkröpfflin. Belon 1555 merkt nog op dat de vogel meer “orengee couleur” is, maar dat mocht niet baten: rode/roodje/roodborst worden de dominante naamtypes voor de soort. Maar in kleuraanduidingen zit ook rek: het roodbruine edelhert bijvoorbeeld heet bij Nederlandse jagers roodwild, in Duitsland rothirsch.

-

Enkele andere namen voor de roodborst (de codes zie op Home):

(U) E robin 1549, robynet in 1425. Eigenhuis 2004: robynet is een naam voor het rode en is verwant met Nederlands robijntje voor de kneu, carduelis cannabina, en met Fries robyntsje voor de roodborst. Lockwood 1984 echter: robynet is gevormd zoals martinet, waarin de persoonsnaam Martin zit (zie bij delichon urbica), en in robynet zit dan Robin, een vorm bij Robert, deze persoonsnaam was met de Normandiërs meegekomen uit Frankrijk. En ook in robin zit die persoonsnaam, eerst, allitererend, in robyn redbrest van rond 1450 (‘Robert Roodborst’), later weekt hij zich los, wordt een naam op zich: robin. Lockwood geeft er geen betékenis van, schrijft later wel dat de Normandiërs Robert gingen associëren met Latijn ruber: rood (waaruit ook robijn ontstond) en de mansnaam “became associated with red things” en zo kon het in Engeland een naam voor de roodborst worden.

(G) Zweeds tjäderklocka: auerhoenklok. Lundevall 1988, ‘Våra vanligaste fåglar’, schrijft: in de ochtendklanken van de roodborst hoorde men dat tjäder, mannetje auerhoen, opgeroepen werd om met de balts te beginnen (klocka: klok, bel). Het tik-ik-ik van de roodborst? Mannetje auerhoen namelijk begint met ‘(ke)tuk-(ke)tuk’, het idee kon makkelijk opkomen.

(V) Duits winterrötele, opgetekend in Gesner 1555. In 'winter' zóu kunnen zitten: dichter bij de mensen komen (in de winter), of de opvallende zang in oktober-november, en/of dat er uit het Noorden arriveren, maar Gesner heeft ook Duits summerrötele, voor de gekraagde roodstaart, en dan zitten we bij Aristoteles, zie bij erithacus. Frans frilleuse: de kouwelijke, bij strenge kou zit hij nóg dichter bij de mensen (voor voedsel). Frans roupie, in Belon 1555, roupie is ook: ‘druppel aan de neus’, Belon: de naam werd gegeven omdat de roodborst bij de mensen verschijnt als er druppels aan hun neus hangen (“lors que les roupies pendent aux nez des personnes”, p.348). Officieel Frans rougegorge familier is waarschijnlijk vooral een naam voor dat winterse vertrouwde, mogelijk is de naam bedacht door wat Buffon 1770-1783 over de roodborst schreef: hij beloont onze hulp in de winter “par la plus aimable familiarité”, ‘met de vriendelijkste vertrouwelijkheid’. Daarom ook is hij geliefd (sterk in Engeland, sommige Engelsen denken zelfs, ook nu nog, dat een in de winter bij het huis verschijnende roodborst de ziel van een overledene is, wat hen verheugt). Maar men had ook met hem te doen: rond Orléans werd hij in de 18e eeuw pauvreté genoemd: armoede (beter hier: ‘arme ziel’), en in Vlaanderen zijn er pover, poverjan, pietje pover, enzovoort (pover betekent armoedig, kwam uit het Frans). In de winter, en ‘helemaal alleen’, dat riep ‘arme ziel’ op. Wat vooral iets over óns zei.

(?) Russisch zarjanka, gevormd bij zarjá: de dageraad, ook: rode wolken, ook: zonsóndergang, en volgens een Russische site zit dát er (vetsjernjaja zarjá: avondrood) (oetrennjaja zarjá: morgenrood). De achtergrond is dat je de roodborst in de avond meer hoort, wat op zichzelf klopt, maar het rode van vogel en avondrood zal wel inbegrepen zijn. Misschien is 'avondroodje' een geschikte vertaling, maar van oorsprong kan het ook gewoon ‘roodje’ zijn geweest.