Witkopstaartmees. Photo credit: Sergey Yeliseev via VisualHunt / CC BY-NC-ND

Aegithalos caudatus (Linnaeus 1758: Parus caudatus). Eng. long-tailed tit. Ned. staartmees.

Caudatus, geen Klassiek Latijn, is een vorm bij Latijn cauda: staart, en betekent: gestaart, voorzien van een staart. Nu hebben veel vogels dat: met zo'n naam bedoelde men dat een vogel een erg lange staart had - waaraan de staartmees ook bijna meer opviel dan aan iets anders. In vele talen kreeg hij er vele namen voor.

Ook andere langstaarten zijn soms caudatus genoemd, de pijlstaart en de ekster bijvoorbeeld, en andersom noemde men in Brabant de staartmees klein eksterke, misschien ook door het zwart-witte van beide soorten, maar zeker door de lange staart. Gesner 1555 lijkt caudatus in de ornithologie te hebben gebracht. Enerzijds door pica caudata voor de ekster, meer nog door parus caudatus voor de staartmees: “Parum caudatum hanc avem voco”, zo noem ik deze vogel (p.617). Wat Linnaeus overneemt.

Gesner komt op parus caudatus door Zwitserduits schwantzmeißlin: staartmeesje, én door Zwitserduits pfannenstil: pannensteel. Ouder was Middelhoogduits sterzmeise. En Kitson 1997 veronderstelt een Oudengels *steortmâse. Nog eerder was de vogel al bekend bij Aristoteles, maar onder een heel ándere naam, zie bij aegithalos.

In de lengte is de staartmees meer staart dan lijf. Bij Frans mesange à la longue queuë, langstaartmees, schreef Belon 1555: ‘buig je de staart over zijn rug, dan steekt hij twee vingers dik voorbij de kop’. Spontaan zullen sommigen waarschijnlijk langstaartmees zeggen, in plaats van staartmees. Vergelijk Engels long-tailed tit. In een Latijns jasje is dat: parus longicaudatus.

-

Enkele andere namen voor de staartmees (de codes zie op Home):

(U) Frans allumette: lucifer, een naam voor de staart, misschien ook wel met het lijf inbegrepen, als de kóp van de lucifer, omdat de vogel vooral uit staart lijkt te bestaan (Snow 1998: “impression of ‘small blob’ [mopje] followed by ‘flicking line’ conveyed by no other west Palearctic bird”). Frans dame, een naam die voor diverse ‘tere’ vogeltjes gegeven is, Buffon 1770-1783: voor de staartmees “sans doute à cause de sa longue queue traînante”, ‘ongetwijfeld vanwege de lange, slepende staart’, vergelijk de sleep van een trouwjurk (en anders wel vanwege het elegante/sierlijke, zie damette bij de witte kwikstaart, motacilla alba). Frans pert sa queuë, ‘verliest zijn staart’, genoteerd door Belon 1555 - 'er wordt gezegd' dat ze hun staart achterlaten als men ze pakt, en dat ze zo ontsnappen, Belon had dat in ieder geval gehoord van vogelaars, oyseleurs (“& quand on l’a prinse, & qu’on la pense bien tenir, elle laisse sa queuë, & ainsi eschappe des mains des oyseleurs”, p.368).

(G) Engels bag: buidel, ‘mees’ hoefde er niet eens meer bij - het is een naam voor het beroemde buidelvormige nest - zie ook bij de buidelmees, remiz pendulinus.

(G) Nederlands dansekstertje, een naam die een enkele keer vermeld wordt, maar onduidelijk is of het ooit een volksnaam was. Hij had wel mógen bestaan, voor hoe staartmezen in groepjes door de takken dansen. In Engeland is er swing-tree, op te vatten als: ‘swings in the tree’ (ook: tússen de bomen). Deze naam heeft een betere status, is ook opgegeven voor het goudhaantje.

(G) Limburgs sjirkske. De naam past bij het werkwoord sjirken: sjilpen, maar staartmezen hebben ook een roep die als sjierk-sjierk gehoord kan worden (of als tserrr-tserrr, chirrup-chirrup, enzovoort). Gesner 1555 had, waarschijnlijk voor deze roep, de omschrijving “guickeg, guickeg” (p.617), noemde het geluid inconditus: ruw, bedoelde waarschijnlijk: ‘niet lieflijk’ (het klinkt wat metalig). Opmerkelijk, want vrijwel gelijk aan ‘guickeg’, is de Zweedse volksnaam gippget, die als een klanknaam wordt gezien.