Photo credit: Steven Tan (maethlin) on Visual hunt / CC BY-NC-ND

Otus scops (Linnaeus 1758: Strix scops). Eng. scops owl. Ned. dwergooruil.

Scops is Grieks skops, een naam die al bij Homerus stond. Als scupiu leeft hij voort op Sicilië, dat ooit Grieks was, een deel van Magna Graeca.

Bij Aristoteles is het een uil, ‘kleiner dan de steenuil’, “elatton glaukos”, zodat het de dwergooruil was: de nog kleinere dwerguil zit niet in Griekenland. Alexander van Myndos beschreef de oorpluimen, had de grijsbruine vorm. Aristoteles heeft als variëteiten skops (zo heet hij in de herfst), en aeiskops (standvogel), een passage waarmee men altijd moeite had, maar Handrinos 1997 schrijft dat hij in de noordelijke helft van Griekenland zomervogel is en in de zuidelijke helft standvogel. ‘Herfst’ houdt dan waarschijnlijk in dat men de noordelijke zag op de trek.

Beekes 2010 schrijft dat er van skops geen etymologie bestaat en dat het waarschijnlijk een vóór-Grieks woord is - en dat pogingen om de naam met iets Grieks te verbinden zinloos zijn (‘volksetymologie’). Hij denkt dit vrij snel, vandaar toch wat men tot nu toe dacht. Boisacq 1938 opperde Grieks skopto: spotten met, voor de gek houden. Vincelot 1867 legde dit ‘spotvogel’ al uit: je hóórt hem steeds (een herhaald tjuu-tjuu, met tussenpozen), maar je zíet hem niet (het is nacht, of hij zit op een donkere plek, of met zijn mooie schutkleur tegen een boomstam aan): hij houdt je dus voor de gek. Chantraine 1968 verbond met Grieks skeptomai: kijken, uitkijken, skops dan kijker, vogel met grote ogen, je áánkijkend. Dat past bij uilen, ook bij de dwergooruil, maar de naam had dan ook een algemene kunnen zijn (de mééste uilen hebben grote ogen). Homerus’ Odyssee bevat voor dat algemene wellicht een aanwijzing: ‘in de bomen nestelden skopes en irekes’ (de meervouden van skops en irex). Irex = hierax, een naam voor kleine en middelgrote roofvogels, dus een algemene, zie ook bij het genus accipiter. Wanneer Homerus hierax hier ook algemeen bedóelde, zou het vreemd zijn als hij daarnaast één bepaalde uil zou noemen, en dan ook nog de voor Griekenland allerkleinste. De Grieken lijken voor uil geen algemene naam te hebben gehad. Kan skops dat tijdelijk of plaatselijk zijn geweest? En had Chantraine dan misschien gelijk?

-

Enkele andere namen voor de dwergooruil (de codes zie op Home):

(U) N dwergooruil, voor het kleine en voor de ‘oren’. Duits kleinste ohreule, omdat er dríe ooruilen waren: de oehoe de grootste, de ransuil de middelste, de dwergooruil de kleinste, zie ook bij asio otus. Spaans autillo, ontstaan uit een verkleining van otus: de geoorde. Duits auferl, verkleining van auf, de oehoe.

(U) Duits aschfarbiges käuzchen, voor de grijsbruine vorm (er is ook een roodbruine). Waarschijnlijk is een deel van de Duitse namen vertaling/boekennaam, de vogel broedde er nauwelijks (lang geleden mogelijk wel iets vaker dan tegenwoordig).

(G) Italiaans chiu, kjoe, een van de namen voor het wat melancholieke tjuu-tjuu, een licht hypnotiserend geluid op warme zuidelijke avonden. Scopoli 1769 gebruikte het in scops giu, zijn naam voor de soort, ook vermeldt hij tshuk, uit Carniola (Krain in het Duits, Kranjska in het Sloveens). Albaans qoku en Catalaans xuta zijn waarschijnlijk ook klanknabootsingen. Russisch spljoesjka is dat volgens Russische bron ook.

(V) Nederlands boom-uiltje, door Houttuyn 1762: ‘omdat hij zijn nest in holle bomen maakt’. Van Nederland kon hij dat niet weten: hij heeft het uit Duits stock-eule: boomstam-uil (vooral voor de bosuil gebruikt), en noemt ook Duits kleine wald-eule. De namen staan in ‘Teutsche Sprach und Weiszheit’ van 1616, zonder dat de soort duidelijk is, kleine wald-eule is ook voor de dwerguil gebruikt.